Het Amsterdamse festival Summer Dance Forever programmeert een internationale staalkaart van urban dance. Het begin in de stadsschouwburg was veelbelovend. Zeven Franse vrouwen boden een alternatief voor het individuele kracht- en machtsvertoon van de dance battles: ze stelden daar elegantie en samenwerking tegenover. (meer…)
Na een seizoen vol dansvoorstellingen te hebben bijgewoond, valt één ding bij binnenkomst in de Rabozaal van het Internationaal Theater Amsterdam (ITA) direct op: de zaal is gevuld met een opvallend jong, cultureel divers en energiek publiek. Summer Dance Forever staat internationaal bekend om de dance battles en workshops waar dansers wereldwijd voor naar Amsterdam reizen, maar tijdens Fresh Moves brandt diezelfde vurige energie ook in het theater. Drie opkomende choreografen uit Frankrijk presenteren deze avond werk waarin hiphop, dancehall en de showcase-cultuur centraal staan.
Het spits wordt afgebeten door het hiphopduo Les Gamal, bestaande uit de tweelingbroers Loïck & Emerick Gene uit Guadeloupe en Martinique. Met meer dan dertig overwinningen in nationale en internationale competities én een World of Dance-titel op hun naam, brengen zij een indrukwekkende technische finesse en cinematografische beeldtaal naar het podium.

Blood Flows van tweelingbroers Loïck en Emerick Gene (Les Gamal), foto Morgan Eloy
In Blood Flows verweven de broers elementen van popping, breakdance en moderne dans, tot een eigen stijl die ze ‘Gamal Style’ noemen. De technische virtuositeit van de broers toont zich vooral in de manier waarop ze elkaar voortdurend spiegelen, synchroon bewegen, en een gevoel van lichtheid projecteren. Gedurende de voorstelling ontstaan er momenten van vertraging, waarin een intieme, familiale tederheid zichtbaar wordt. Op een adembenemend moment vouwen de broers hun lichamen zo om elkaar heen dat ze samen één kloppend hart vormen.
Les Gamal speelt verder meesterlijk met licht, schaduw, ruimte en dynamiek. Net als in een aquarel schilderij zoeken ze precies het juiste midden tussen uitersten. Wanneer de spotlights de voorkant van het podium verlichten tegen een donkere achtergrond van rook, doemt de een in het wit en de ander in het zwart op uit het schemerduister. Deze ingenieuze spanningsopbouw, de optische illusies en het geraffineerde samenspel zetten het publiek in Amsterdam vanaf het eerste moment ademloos op het puntje van hun stoel. Tijdens de voorstelling klinkt meermaals applaus.
Tijdens de tweede voorstelling, Out/ Side, verschuift de focus naar dancehall. Dit werk van choreograaf Mwendwa Marchand en collectief Outside is een work-in-progress, met een officiële première in oktober. Out/ Side voelt ook nog aan als een artistiek onderzoek. Het stelt een essentiële vraag: kan een rauwe, sociale cultuur als dancehall voortbestaan binnen de institutionele muren van het theater zonder haar ziel te verliezen?
In Out/ Side wordt dancehall stapsgewijs gedeconstrueerd en weer opnieuw gevormd. Een herkenbaar dancehall-nummer op de achtergrond vervaagt langzaam tot ijle klanken, terwijl drie dansers vertraagde, golvende bewegingen maken. De choreografie bevat duidelijke elementen van whining, maar voelt tegelijkertijd leeg en somber aan door de sterke invloed van moderne dans. Het roept de vraag op of dancehall in zo’n getemde vorm nog wel dancehall is.
De voorstelling herpakt haar vuur echter zodra het tempo versnelt en de zware, typerende klanken terugkeren. De vonk slaat meteen over op de zaal: het publiek reageert enthousiast wanneer twee mannelijke dansers groter en feestelijker met elkaar beginnen te bewegen, terwijl een vrouwelijke danser aan de linkerkant van het podium een expressieve sensuele solo uitvoert. Dit fragment transformeert de theaterzaal even in een broeierige club, waarin de collectiviteit en de vreugde van dancehall weer volop glinsteren.
De avond sluit af met SKINS, het debuut van choreograaf Olivia Pierre en het collectief OPS. Vijf dansers betreden het podium op het nummer ‘Stanka Pooh’ van Doechii. Geïnspireerd door de videoclipcultuur en videogame-‘skins’ belooft de voorstelling een verkenning van identiteit te zijn: welke maskers zetten we op om te overleven, en wat blijft eronder over als die verdwijnen?
Hoewel de productie visueel aantrekkelijk is en op sterke momenten slim gebruikmaakt van schaduwprojecties op de achterwand, komt die thematische verdieping minder goed uit de verf. De voorstelling voelt vooral als een ode aan hiphop- en R&B-videoclips uit de jaren 2000, maar mist inhoudelijke innovatie en een dramaturgische cohesie die het inhoudelijke verhaal kunnen versterken.
Wel bevat het stuk droomachtige R&B-solosegmenten die opvallend kwetsbaar en tegelijkertijd meditatief aanvoelen; als toeschouwer word je bijna een voyeur die stiekem meekijkt naar iemand die in de beslotenheid van een slaapkamer danst, volkomen op haar gemak met het alleen-zijn. Over het algemeen ontbreekt het de voorstelling echter aan innovatie op het gebied van storytelling en blijft een overtuigende climax uit.
Wat in alle drie de voorstellingen van Fresh Moves bovenal opviel, is hoe de stijlen voortdurend een metamorfose ondergaan, en hoe de ruimtes waarin deze belanden daardoor ook meeveranderen. De vurige energie van het gemeenschapsgevoel dat zo kenmerkend is voor de hiphopcultuur, brandt de formele muur die in een theater-setting soms tussen dansers en publiek kan ontstaan, moeiteloos weg.













