In Figure giet modeontwerpster Lisa Konno haar kanttekeningen bij de vrouwonvriendelijke aspecten van de mode-industrie in een fris tinkelende vorm. De presentatiewijze die ze in samenwerking met choreograaf Peter Leung heeft gevonden is vooral een getuigenis van haar grote fantasie.

Het doet pijn aan je oren. Terwijl de danseres, ondersteund, voorzichtige stapjes zet op haar porseleinen schoenen, klinkt een verontrustend geknars, alsof haar wiegvormige ‘hakken’ elk moment kunnen barsten. En dat zou niet alleen het gevaar van lichamelijke kwetsuren opleveren, maar ook puur zonde zijn. De creaties van beeldend kunstenaar en modeontwerpster die Lisa Konno in Figure presenteert, zijn stuk voor stuk wonderlijke objecten. Esthetisch en herkenbaar, maar tegelijk zo anders dat ze een dramatische dimensie krijgen.

Geen wonder dus dat Konno geen gewone presentatievorm kiest. Zij presenteert haar ontwerpen op het snijvlak van verschillende disciplines: mode, film, expositie, keramiek. En nu dus dans. Figure is een samenwerking van Konno met Peter Leung, die eveneens de verbinding opzoekt tussen disciplines in zijn activiteiten als choreograaf (en ex-danser van Het Nationale Ballet) en regisseur. Aan hem de opdracht om het concept, de ‘plotlijn’ en de ontwerpen van Konno in beweging te zetten op de compositie van Ricky Cherim.

Dat is geen geringe opgave, want Konno’s ontwerpen vormen zelf het uitgangspunt en het verhaal voor het interdisciplinaire project. Met haar ontwerpen schetst zij de rol van mode in het leven van de vrouw, waar het als expressiemiddel kan worden ingezet, maar ook als beperkend en onderdrukkend harnas.

Bij Konno krijgt dat harnas in zijn letterlijkste betekenis vorm in keramieken borstkurassen en crinolines. Eigenlijk een soort anti-danskostuums: ze bewegen niet mee, maar werken eerder tegen. De borstbedekking verhindert beweging van het bovenlijf, terwijl de onbeweeglijke hoepelrokken juist alleen torso en armen de vrijheid geeft.

Figure begint echter met een vrouw (Matchima Josephine Flos) die in een babyroze gewatteerde jumpsuit de galerie-achtige, kale speelruimte wordt binnengebracht. Langzaam bevrijdt zij zich van haar strakgeregen pak als van een vlinderpop, om zich in haar transparante nieuwe huid op te richten. In de volgende scènes zien we een ontwikkeling waarin de danseressen door verschillende levensfasen gaan, elke periode getekend door meer en meer bewegingsbeperkende elementen.

Oogstrelende elementen: na een vrolijke, speelse maskerdans van drie danseressen die in wijde jumpsuits met grote wit-gele ruiten onbelemmerd rondgaan, volgt de pre-volwassen fase. Daarin experimenteren de danseressen met hun ontluikende vrouwelijkheid in sexy opengewerkte, gehaakte bodies, beenwarmers en handschoenen waaraan keramieken staafjes en kralen zijn bevestigd. Met elke beweging eisen ze zo de aandacht op met een fijn, tinkelend geluid, een effect dat ze langdurig demonstreren. Regelmatig bevriezen ze in poses.

Als een (oudere) vrouw in een wijde bloedrode kimono opkomt – Konno, dochter van een Japanse vader en een Nederlandse moeder, verwerkt in haar ontwerpen diverse Japanse elementen – vleien de vrouwen zich gehoorzaam aan haar voeten. In de daaropvolgende scène (levensfase) hebben ze hun bewegingsstijl geconformeerd aan de wetten van de mode-industrie. Op een ritmische beat van Cherim paraderen ze in creaties van grijs vilt en roze tule rond met een aangeleerd catwalkloopje, waarbij hun ‘opengebarsten’ porseleinen lijfjes delen van hun borsten onthullen.

Ten slotte verschijnen twee danseressen, gevangen in hun versteende hoepelrokken. Toevallig of niet; met hier een daar een kleine versiering hebben die wel iets weg van de verleidelijke ‘bombes’ die in de etalage van de patissier prijken. De slingerende, spiralende en reikende armen van de in hun vrijheid beknotte danseressen lijken wanhopige noodkreten.

De vrouwen op porseleinen schoeisel tonen een weinig opwekkend slotbeeld van de ontwikkeling. Hun breekbare voetbekleding houdt het midden tussen Japanse geta (‘geisha-klompjes’), Griekse kothurnen en roze, satijnen balletschoentjes en is prachtig gedecoreerd, ook weer met klingelende staafjes en andere fragiele versierselen gedecoreerd. De objecten lijken symbolen voor het hardnekkig de schijn van jeugd en kracht willen ophouden, in weerwil van de eigen broze staat. Het veroordeelt deze ‘versierde vrouwen’ tot hulpbehoevendheid.

Figure is zonder veel problemen te lezen als aanklacht tegen de manier waarop mode en schoonheidsidealen vrouwen in de tang kunnen houden – denk aan korsetten, kokerrokken, naaldhakken, fillers, botox, borst- en bilvergrotingen – en de manier waarop zij daar zelf tegen de klippen op aan vasthouden. In het overbrengen van die boodschap is de choreografie van Leung in essentieel dienend, met esthetische lijnen en kronkelingen die de ontwerpen van Konno tot hun recht laten komen. Die bescheiden rol is onvermijdelijk, vooral in de delen met bewegingsbeperkende kostuums, ook al zoekt Leung daarin naar onverwachte uitwegen.

Konno heeft met haar ‘dansvoorstelling’ opnieuw een originele vorm gevonden om haar mode-fantasieën te presenteren en dat verdient waardering. Toch is vijftig minuten voor deze show aan de lange kant.

Foto’s: Altin Kaftira