Op de computer is de enter-toets een bevestiging van een keuze. Daarmee zet je iets definitief in werking of leg je iets vast. Enter kan je ook toegang verschaffen en het is vooral in die zin dat het Friese dansgezelschap Ivgi&Greben met acht dansers, in een choreografie van de artistiek leiders Uri Ivgi en Johan Greben het gegeven onderzoekt.

Of dit enige professionele dansensemble uit de regio een nieuwe periode door kan gaan met het maken van voorstellingen is overigens nog maar de vraag. Het gezelschap belandde – ondanks positief advies – onder de zaaglijn voor de meerjarige subsidies van Friesland in de periode 2026-2028. Dat de regio daarmee een kwaliteitsensemble zou verliezen, maakt deze voorstelling in ieder geval glashelder: de dansers putten zich onvermoeibaar uit in een lange reeks complexe ensembles, afgewisseld met soli, duo’s en kwartetten die zonder uitzondering met veel urgentie in een zeer hoog tempo uitgevoerd worden. Het dagelijks leven wordt in deze optiek neergezet als een uitputtingsslag waar niemand aan ontkomt.

De jachtigheid van het bestaan wordt aldus heel tastbaar: het is van levensbelang niet uitgesloten te worden, want meerennen met de rest is een eerste vereiste. En als dat niet lukt omdat dat je niet gegund wordt, verwordt de mens tot een marionet waar niemand meer aan de touwtjes trekt, en blijft er alleen een stapel levenloze ledematen achter, zoals aan het eind een van de dansers (Ludovico Murgia) in een overtuigende en ontroerende solo laat zien.

Aanvankelijk rijgen de sequenties zich aan elkaar maar lijkt een heldere focus te ontbreken. Totdat het hele gezelschap in een soort carrousel voorbij begint te tollen en elke danser zich als onderdeel in een oneindigende cirkel mee moet dansen, al dan niet synchroon. De basis van de hele choreografie is goeddeels gebaseerd op het gevecht in zijn primitiefste vorm, dat element komt in allerlei vormen voortdurend terug. Geen gestileerde martial arts hier maar de wurggreep en de linkse directe, en zowel de mannen als de vrouwen laten zich in deze niet onbetuigd.

De hele voorstelling door wordt ook gewerkt met tableaus; soms lijkt het alsof het publiek bladert in een tot leven gewekte tentoonstelling van World Press Photo met beelden van geweld van over de hele wereld, dan weer lijken de tableaus op de veertien staties die in katholieke kerken het lijden van Christus verbeelden.

Als halverwege de dansers optreden met ontblote tors roepen ze ook associaties met Caravaggio’s in chiaroscuro gevatte wreedheden, waardoor de actualiteit van het thema een historisch perspectief krijgt. Rust om de tableaus contemplatief te bekijken echter wordt ons nooit gegund: het gaat niet om statische schilderijen of foto’s, elk tableau wordt slechts een tel stilgezet, en na een fractie van een seconde dendert de voorstelling door naar de volgende statie. De dwingende muzikale compositie van Tom Parkinson schraagt de choreografie met een solide basis en samen smeden zij een voorbeeldige eenheid, zowel in de ensembles als in de complexe duetten.

In deze overvloed van beelden en bewegingen gevat in een constante dynamiek, zijn er ook sequenties die minder overtuigen. De episode rondom de witte vlag bijvoorbeeld fungeert niet als het lichtpunt van hoop dat het misschien beoogt te zijn: de teksten die de dansers collectief spreken zijn van een te toneelmatig en expliciet niveau om een laag toe te voegen die de choreografie zou kunnen verrijken.

En sommige sequenties zijn wel erg letterlijk uitgewerkt. De episode waar de dansers in glanzende kostuums als zwarte torren tot kannibalisme ontaarden bijvoorbeeld werkt eerder als cerebrale illustratie bij een idee, dan dat het op eigen kracht impact heeft. Zo zijn er nog wat momenten die bedolven worden onder een gestage dwang tot beweging die niet altijd van binnenuit gemotiveerd lijkt. Maar het leven als een voortdurend gevecht om een positie te verwerven wordt overtuigend en fraai neergezet. Het zwarte decor werkt hierbij als een gevangenis, maar ook als een diepe put, plekken waar geen ontsnapping uit mogelijk is.

Tegen het eind maakt een collectieve bestorming van de denkbeeldige vierde wand veel indruk: beelden van de bestorming van de ondoordringbare muren die de Spaanse enclaves in Marokko omsluiten komen in herinnering. Het is dan ook geen vrolijk avondje uit maar de choreografen en dansers doen wel een dringend beroep op ons.

Foto’s: Paul Sixta