Is het Mark Rutte of Martijn Koning die het podium van de schouwburg in Utrecht op komt fietsen? Op zijn omafiets, zwaaiend en met een guitige lach heeft de cabaretier wel wat weg van onze immer goedgemutste, nonchalante oud-premier. En, zo geeft hij toe, ook voor zijn kostuum heeft Koning bij de beste man afgekeken. Met de mouwen van zijn witte overhemd opgestroopt en een lekker schalkse lach op zijn gezicht is hij klaar om het publiek door een wervelwind van losse fragmenten, imitaties en liedjes heen te loodsen. 

Van gerichte, lokale grappen die tijdens de première in Utrecht goed vallen – bijvoorbeeld over de recente drinkwatercrisis en zeehond Uutje, die in september in Utrechtse wateren opdook en volgens Koning vrij veel weg heeft van de gemiddelde Utrechtse corpsbal – holt Koning in hoog tempo langs vermakelijke verhalen over Rutte, Trump, Elon Musk en de vele ‘clowns’ die de Nederlandse politiek rijk is. 

De grapdichtheid ligt hoog en vooral in het eerste deel heeft hij de lachers op de hand, maar naarmate de voorstelling vordert wisselt Koning actuele grappen steeds meer af met persoonlijke ergernissen, zoals over zijn aanwezigheid aan tafel bij Eva Jinek en zijn afschuw van Angela de Jong. Van de ‘dikke reet’ van De Jong tot de te vaak herhaalde braakneigingen bij het uitspreken van de naam van Jinek: de beledigingen aan het adres van de vrouwen voelen weinig inhoudelijk, gemakzuchtig en soms zelfs zeikerig. Het is vast fijn voor de verwerking, maar met de vraag of het ook interessant materiaal oplevert, lijkt weinig rekening gehouden.

Veel van deze anekdotes zijn overigens, net als een aantal andere grappen en imitaties, gerecycled uit Konings eerdere programma’s, maar dat mag de pret niet drukken. Ook herhalingen kunnen op enthousiaste reacties vanuit de zaal rekenen. Vooral Konings verbeelding van mopperkont Maarten van Rossem doet het in Utrecht wederom goed.

Moeilijker te plaatsen zijn grappen die wel erg in de buurt komen van discriminatie en waar een deel van het publiek redelijk bedompt op lijkt te reageren, bijvoorbeeld over AZC’s en kernkoppen in Brabant of over de afkomst van Dilan Yesilgöz. Te vaak leunt Koning op de provocatieve werking van zijn grappen, om vervolgens heel hard ‘sorry!’ te roepen en het problematische weg te grinniken. Het is een gimmick die desalniettemin normaliserend werkt en bovenal gemakzuchtig en oppervlakkig uit de hoek komt.

Zo rijgt Koning grappige, dan weer beduidend minder geslaagde grappen aan elkaar. Een rode draad lijkt daarin ver te zoeken. Dat hoeft natuurlijk geen probleem te zijn, maar ook de uitwerking van een aantal anekdotes laat te wensen over. Bijna schuilt in een verhaal en aansluitend liedje over bevers een veelbelovende metafoor over de breedgedragen angst voor onbekenden en hoe we maar al te snel overgaan tot haat, maar net als andere lijntjes, bijvoorbeeld een interessante over Konings gesprekken met zijn psycholoog, wordt ook deze niet goed uitgewerkt.

Waar Koning wel écht in uitblinkt, zijn momenten van interactie met de zaal. Een gesprek met de eerste rij levert het leukste en spontaanste moment van de avond op en al improviserend toont de guitige Koning zich veruit het grappigst. Zo zitten er, mede dankzij de hoge grapdichtheid, heus veelbelovende elementen in Een aap die geen bananen eet.

Foto’s: Nick Chesnaye