Hij is opgegroeid met oesters en wijn, zij met energydrank. Hij praat met een hete aardappel in zijn mond, zij heeft een plat accent. Hij is bekend met Griekse mythen en kan oreren over Michelangelo, zij leerde vooral door dingen te doen. Een kakker en een kamper ontmoeten elkaar in het grappige en onverwacht aandoenlijke De billen van David. (meer…)
Het begint al bij de deur, waar Sytze Bouma zijn publiek ontvangt met de natte droom van elke clubganger: Lolly? Zure mat? Winterpeen?! Het kleine, volle gangetje richting de grote zaal van Theater de Richel in Amsterdam voelt als een portaal naar een andere wereld en Bouma is de poortwachter die je – in glitterjurk, met roze pruik en uitgesproken witgeschminkt en roze-geaccentueerd gelaat – welkom heet. Binnen is de sfeer vanaf het eerste moment warm, uitbundig, liefdevol, een beetje opstandig en lekker tegendraads. Hoe kan het ook anders? We zijn in de RoXY!
Na Drag me Home, over de mysterieuze zolderperformer Bob, neemt Bouma de toeschouwer in deze tweede solo in de reeks mee terug naar de iconische Amsterdamse nachtclub aan het Singel, die in juni 1999 volledig afbrandde. Een klein verhoogd podiumpje doet dienst als kleedhokje, clubtoilet, douchecabine, en flaneerplatform, vanwaar Bouma een hele reeks vrije nachtvlinders de revue laat passeren.
Via verschillende sprekers – een van de mede-oprichters, de uitbundige queen die de wacht hield bij het toilet en de huisfotograaf – vertelt hij over de club en haar mensen. Over kunstenaar en oprichter Peter Giele, die het vervallen art deco-bioscoopje ontdekte en alles op alles zette om er een kunstenaarshotel, een creatieve vrijplaats, van te maken: hoe hij Braziliaans hout liet aanslepen voor de barren, tijdens de verbouwingen eens op een drilboor in slaap viel en de nacht voor de grootse opening nog besloot dat het rood op de muren toch maar beter paars kon zijn. Over de bekendheden die er onstuimige shows gaven, de vaste gasten die er elke week weer in extravagante kostuums verschenen, de ‘alien spaceships’ die er uit het plafond naar beneden kwamen, de kunst die het hele gebouw sierde en de jonge mensen die er hun stem vonden.
In de vertellingen krijgen we al voorproefjes van de geanimeerdheid, controle en kunde waarmee Bouma alle fladderende figuren portretteert, maar in de drag-acts tussendoor komt de volledige omvang van zijn meesterlijke performerschap pas echt tot uiting. Met een rijke air van dramatiek en in de meest geweldige jurken, laarzen en hakken verleidt hij het publiek, al dansend en playbackend. De scène waarin hij de nervositeit van een jonge clubganger – een ‘muurbloempje’ – mimet, terwijl die aan een veel te luide bar een drankje bestelt, dat drankje vervolgens tussen kolkende lichamen naar de dansvloer moet vervoeren, om daar terug aangekomen onwennig en vervolgens steeds uitgelatener te dansen, is niets minder dan ontroerend en herkenbaar.
De vertellingen, de drag-acts, en de bewegingsscènes: het zijn stuk voor stuk precieze, liefdevolle en uitbundige eerbetonen aan een plek waar de vrijheid tastbaar en de veiligheid vanzelfsprekend was, en aan de mensen die dat mogelijk maakten.
Maar er waren ook zware tijden. Met behulp van een oude, rammelende diaprojector toont Bouma foto’s van de mensen in de RoXY, terwijl hij vertelt over de AIDS-epidemie die de gemeenschap teisterde en over de mensen die van de dansvloer verdwenen. Het was een tijd omringd door onzekerheid en verdriet, een tijd die het gevoel van veiligheid verstoorde. Terwijl Bouma zich omkleedt om de volgende scène te spelen, laat hij ons nog even in stilte naar de foto’s kijken: nog zo’n stil, maar belangrijk, eerbetoon.
De RoXY was een plek waar iedereen zichzelf kon ontdekken, zichzelf kon zijn en zichzelf kon uitdrukken, zoveel wordt er naarmate Drag me [2] RoXY vordert wel duidelijk. De weet dat die plek er niet meer is, brengt een vreemd soort melancholie en rouw met zich mee. Zo’n melancholie waar je niet somber ,maar warm van wordt, in actie van wilt komen: verkleden, dansen, kunst maken, heel hard janken en daarna nog veel harder lachen met bijzondere mensen op bijzondere plekken. Al die emoties zijn volledig Bouma’s verdienste. Het logische gevolg van zijn liefdevolle schets.
Die brand op de dag van Peters begrafenis hè, filosofeert Bouma. Niet opzettelijk natuurlijk, maar kunnen we dat niet toch zien als de ultieme slotact van een bevlogen kunstenaar? Een voorzetje voor wederopbouw in een nieuwe generatie? En wordt het dan niet eens hoog tijd?
Foto’s: Annelies Verhelst














