Een lichaam bungelt roerloos in het midden van de speelvloer. Een dik scheepstouw snijdt langs zijn rug, torso en schouders, als een stil protest tegen de last van geschiedenis. In Strange Fruit 2.0, het eerste deel van Sedrig Verwoerts double bill, wekt de choreograaf het koloniale verleden niet slechts tot leven, hij laat het voelbaar schuren. Wat volgt is een indringende dansavond waarin trauma, verbeelding en culturele trots moeiteloos naast elkaar bestaan.

Op de achtergrond klinkt stromend water, op een scherm verschijnt een oudere vrouw die, afwisselend in kleur en zwart-wit, een Surinaams kinderliedje neuriet. De tekst ‘Oh, master Jantje, don’t kill my child’ hakt erin. Twee dansers cirkelen om de gebonden man, in een duet dat balanceert tussen bescherming en rouw.

Even later verschijnt op het scherm een groep vrouwen in bananenrokjes – een koloniaal stereotype dat de zwarte vrouw reduceerde tot exotisch vermaak. In een confronterende ‘wending’ stapt één van hen in levende lijve het toneel op: een danseres in een gouden bananenrokje over een huidkleurige outfit. Haar solo is speels, verleidelijk, maar nooit leeg of bedoeld om enkel te plezieren; haar bewegingen – met handpalmen als waaiers open naar buiten, herinnerend aan Balinese dans – wervelen op het scherp van de snede.

De klap komt als een hangende microfoon uit het plafond zakt. Haar stem herhaalt, steeds anders, dezelfde zin: ‘These children represent an example; they showed people that it’s possible to live together, under the sun, they play and dream.’ Eerst hoopvol, maar ook bitter, wanhopig, verdrietig. Wat klinkt als een ode aan gedeeld mens-zijn, wordt hier een rauwe echo van wat tot slaaf gemaakten eeuwenlang werd ontnomen: een stem, een toekomst.

Dan de abrupte breuk: theatermedewerkers roepen dat het publiek de zaal twintig minuten mag verlaten. De danseres praat onverstoorbaar verder. Even is het alsof je uit een ritueel wordt gerukt. De inbreuk voelt hard – maar misschien is dat precies de bedoeling. Hoe moet het geweest zijn om als tot slaaf gemaakte dag in dag uit geen enkele controle hadden over je eigen lichaam of verhaal?

Het tweede deel, De rode palulu, biedt licht en hoop. Dit werk, gebaseerd op een kort verhaal uit 1958 van de Surinaamse schrijver Coen Ooft, speelt zich af tijdens een dansavond tussen bloemen – waaronder de vurige rode palulu, de papegaaibloem. Een vrouw verschijnt achter een bronzen, spiegelend paneel. Ze laat vinger voor vinger zien, gebruikt het object eerst als schild, daarna als reflectie, als lichtbron om het publiek en haar mededanser mee te beschijnen.

Op junglegeluiden, vogelgezang en een pulserende soundscape ontstaat er een gelaagde choreografie waarin Verwoert zelf ook danst, omringd door vijf performers. Ze dragen takken van palulu’s in hun armen; symbolisch en ritueel tegelijk. Soms gebruiken ze die als roe, alsof ze het slavernijverleden in hun dans zelf tuchtigen – en tegelijkertijd het leven vieren.

De krachtigste sequentie toont alle dansers in het wit, heupen cirkelend,  soms alsof ze paardrijden – één hand klakt tegen de dij, de ander spoort het denkbeeldige dier aan. Het voelt uitbundig, ritmisch en vreugdevol. Wat begint als een intieme zoektocht, groeit uit tot een feest waarin iedereen welkom lijkt te zijn. Verwoert laat mooi zien hoe te herdenken: de choreografie werkt helend en verbindend.

Met deze double bill levert Verwoert niet alleen een fysieke, visuele en politieke prestatie – hij opent een nieuwe ruimte. Een safe space, zoals hij het noemt in een interview in Het Parool. Niet alleen op het toneel, maar ook daarbuiten, via zijn nieuwe platform They/Them. Een plek voor zwarte, queer en oudere dansers, voor verhalen die tot nu toe in de schaduw stonden.

Foto’s: Bart Grietens