Zacht én helder valt het licht op een grijze vloer in de grote zaal van Frascati. Vijftien dansers bewegen, hun zwarte outfits zijn hip, hun schoenen stevig en comfortabel. Zo kun je een nachtje feestend doorbrengen in de club. Maar in plaats van pompende beats heerst er stilte. De spreekwoordelijke kousevoetjes zijn Crocs, van foam gemaakte schoenen die meeveren met iedere stap.

Het nieuwe werk van de Italiaanse, in Nederland werkende, onafhankelijke choreograaf Elisa Zuppini, Disambiguation, doet bij de eerste aanblik denken aan een tekst die voor je ogen danst. De performers zijn binnen gekomen op de plek waar normaliter alleen de toeschouwers dat doen. Van vlakbij de eerste rij stappen ze één voor één de vloer op, zodat het publiek over hun schouders meekijkt naar de dansvloer en wat komen gaat.

Op de rug gezien worden hun zwarte silhouetten gekalligrafeerde tekens, die in voortdurende beweging een taal spreken die zich niet zomaar prijsgeeft. Maar Zuppini suggereert met de opvallende entree ook dat de performers net als het publiek in de eerste plaats toeschouwers zijn – alsof ze ook naar zichzelf kijken en net als het publiek zich afvragen waar ze zijn beland. Zo smokkelt Zuppini het toeschouwersperspectief mee het podium op en mixt en passant de collectieve of dominante blik met de individuele, conform de ambiguïteit uit de titel.

Regelmatig breekt de geluidscompositie van Fabian Reichle in. Hij sampelt, filtert én fragmenteert zodanig dat er enkel nog een accent overblijft, of een echo van een echo, een schilfer geluid. Wat ooit deel uitmaakte van een warm bad, een vol leven, schiet nu binnen of dwarrelt neer als een los blad, in een zaal waar verder geen boom te bekennen is.

Disambiguation (de titel betekent zoiets als de oplossing van ambiguïteit) lijkt zich in een staat van verdoving af te spelen, waar mensen nog wel waarnemen maar zich nog maar moeilijk kunnen uiten, vergelijk de oorverdovende stilte bij het uitlopen van een club in de vroege ochtend of net na een explosie. Wezenloos lijkt het, zeker op de eerste avond dat deze grote groep, die zonder noemenswaardige subsidie opereert, het podium betreedt.

Na afloop van de première blijkt dat Zuppini en haar team op die dag hun eerste gezamenlijke repetitie hadden, nadat het stuk een jaar eerder voor de opleiding Expanded Contemporary Dance aan de theaterschool van Amsterdam werd gemaakt en recentelijk in kleine groepjes was hernomen.

Op de tweede avond in Frascati verandert de wezenloosheid in een van spanning en ontspanning, overgave en terugtrekking doortrokken landschap, waar mensen zonder wezenlijk referentiepunt, slechts met echo’s en resten, proberen samen te komen. Het duurt lang voordat de dansers zich tot de zaal richten. Het individuele zoeken uit zich in bewegingen op de eigen plek, die meebeweegt met de danser over de vloer. Er is van alles gaande, maar dat leidt niet echt tot interactie.

Dit eilandjesgevoel of gebubbel wordt doorbroken wanneer de dansers het zwerven even laten en zich verzamelen op het achtertoneel om van daaruit door het midden op te komen en zo van het podium een catwalk maken. Gesynchroniseerde dansjes aan weerszijde, heerlijk op de beat, maken het geheel compleet.

Het gebaar appelleert aan voguing, maar de dansers maken niet echt contact met het publiek, dwingen niet per se bewonderende blikken af. Ze lijken vanachter glas te opereren, als figuren die via schermen, platforms, filters en protocollen functioneren. Hoewel het allemaal fijne mensen zijn om naar te kijken, lijkt het alsof hun authenticiteit een ruilmiddel is geworden, iets dat ze gewoon zijn aan te bieden, of althans hun verschijning daarvoor lenen.

Het poseren heeft daardoor iets griezeligs. De gezichten, kunstmatig glimmend van iets anders dan zweet, ontbreekt het aan de zelfbewuste smile of de semi-arrogante kopachteroverhouding. In plaats daarvan zijn er geconcentreerde blikken in een onbepaalde verte, alsof de wereld nog slechts uit nabeelden bestaat, geen directe of spontane ervaring meer oplevert. Zuppini laar haar dansers dan weer opnieuw rondwaren, uiterst alert, subtiel en kwetsbaar, maar zonder context, doel of intentie.

De dansers zijn duidelijk met elkaar – alleen een geraffineerde afstemming maakt de geruisloze samendans van de vijftien mogelijk – maar ze blijven ook op zichzelf, zelfs als ze na verloop van tijd steeds meer als groep optreden. Het doet denken aan de anonimiteit en uniformiteit van de jongste generatie internetburgers, die zichzelf beschermt en online nog maar weinig persoonlijks laat zien.

Nergens ook zet Zuppini de individualiteit van een danser af tegen de groep als geheel. Terecht, want dit danscliché representeert de emancipatie van een ver voorbije era. Het is een van de uitermate sterke punten van haar choreografie. Deze mensen leven en laten leven, maar waarvoor?

De groep waaiert en druppelt, als een organisme dat zichzelf haast onbewust bijeenhoudt. In humanistische of existentiële termen zou je Disambiguation een schildering van gelatenheid kunnen noemen. De choreografe ziet ervan af om de leegte of het gebrek aan oriëntatie (toekomst) te compenseren met de middelpuntvliedende krachten van het oude burgerlijke theater en de fictie van film en literatuur: intentie, bedoeling, appèl, expressie – het lijkt allemaal passé in Dimambiguation.

De compositie danst als een organische wolk voor de ogen. Alles reageert op alles, alles neemt de tijd, maar in het relatief rustige bewegen wordt ook ieder momentum uitgebannen. Voorbij de vierde wand of de doorbreking daarvan in een directe confrontatie met het publiek, lijkt Zuppini samen met dramaturg Bruno Listopad te zoeken naar een meer actuele state of mind and body, verbonden met het ontbreken van een horizon in de eindeloze, virtuele internetruimte, maar misschien ook wel de wereld van vlees en bloed, waar het evenzeer moeilijk thuiskomen is en het innemen van een positie ook al snel gratuit aandoet.

Machteloosheid als grond, als uitgangspunt, als speelveld – wat doe je daarmee? Onwillekeurig grijpt het stuk ook terug op de coronajaren, een tijd waarin solidariteit en ongelijkheid even hard naar boven kwamen. Stelt Zuppini een nieuw soort nihilisme voor? Eerder lijkt ze aandacht te vragen voor de microprocessen die maatschappelijke druk en uitzichtloosheid in mensen teweeg brengen, vanwege alle gevolgen van de globalisering voor het dagelijks leven.

Waar een choreograaf als Giselle Vienne nog aan een overheersende structuur appelleert, wanneer ze haar dansers als marionetten ten tonele voert, lijkt zulk een ideologische metastructuur als vangnet bij Zuppini te ontbreken. Ook met recent werk van Dries Verhoeven vertoont het werk gelijkenis, in de structurele benadering van de mechanische effecten van globalisering en digitalisering, het verdingen van mensen en het opdrogen van de mogelijkheden tot verzet of het innemen van een authentieke positie.

Disembigaution geeft een heel precies inkijkje in de effecten van vrijblijvendheid en uitruil, uitverkoop en inflatie. Waar de oude ficties nog helden en verliezers, reflectie en kritiek inzetten, worden ons nu licht apathische, gevoelig dolende individuen opgedist die elkaar opzoeken zonder hoger doel, die het zombie-achtige in zichzelf allang hebben geaccepteerd, de ironie van de pose voorbij zijn en van uitputting niet meer goed weten waar ze de speelsheid voor een vrijzinnig bestaan vandaan zouden halen.

Ook in de gelaagdheid van het geluid komt deze ambiguïteit terug. Reichle speelt met voor- en achtergrond, wisselt de stilte af met radicale inbreuken, maar deze zijn soms nauwelijks te plaatsten of tastbaar, en dan weer spot on – on the beat. Zo ontstaat er ook bij hem een landschap van klanken, volgens een logica die grote gaten laat vallen, met verwachtingen speelt, maar ze ook gewoon inlost.

Zwevend in een cloud van informatie en gedigitaliseerde expressie, poses, emoties en  gedachtes, voorgekauwd, gesampled, gerecycled en gecompartimentaliseerd, totdat elke spontaniteit vermorzeld is – toch proberen de performers hun draai te vinden. De trekken op hun gezichten en in hun lichamen zijn als nabeelden van iets dat ooit iemand bewoog, maar nu zijn effect verloren heeft.

Om op een meer positief punt te eindigen, zelden zag ik de traditie van hiphop en streetdance zo mooi geïntegreerd met de traditie van postmoderne dans, die poogde met persoonlijke, dagelijkse en politieke ervaringen de gesloten en exclusieve bewegingsesthetiek van de theaterdans te doorbreken.

De emancipatie van de dansers is een feit in deze grootse opstelling. De individuele gang van de dansers put uit hun eigen ervaring en wordt niet geladen met thema’s of inhoud van een pamfletterende Zuppini. We leven nu eenmaal in tijden waar de gevolgen van een maximum aan opgelegde, individuele keuzes en een minimum aan bescherming, zich uiten in wezenloosheid.

Hoe vertaalt je de nuance, de vele perspectieven, de ambiguïteit nog naar maatschappelijke, politieke of artistieke impact? Hoe maak je experimentele dans in tijden van hyperkapitalisme en populisme? Zuppini onthoudt zich van statements, maar Disambiguation roept deze vragen ontegenzeggelijk op. Stationair draaiend en vibrerend wordt het stuk een choreografisch tableau vivant, een organisme van mensen die als satellieten functioneren, om elkaar heen draaiend, bijeengehouden of uiteengedreven door krachten groter dan zijzelf.

Het is soms moeilijk te verteren dat op geen enkele manier de klassieke maten van het westerse theater worden gehuldigd, er zijn geen helden, geen boosdoeners, er geen goede zaak is om de boel te kaderen. Soms wil je de performers een weinig heilig vuur of revolutionaire gloed inblazen, maar dat lijkt ergens ook heel ongepast.

Foto’s: Thiemi Higashi