De aankondiging van Puccini’s opera Tosca door Opera Spanga is nogal heftig: ‘Een onvervalst staaltje grensoverschrijdend gedrag wordt zonder noemenswaardig protest verdragen door iedereen die erbij staat, en ernaar kijkt.’ Heftig, én nogal opzichtig aanhakend bij de actualiteit. (meer…)
De eerste vijf minuten van Der Rosenkavalier gelden als de ‘ongemakkelijkste van alle opera’s bij elkaar’, aldus sopraan Kiri Te Kanawa, die meer dan een kwart eeuw de dramatische sopraanpartij vertolkte van hoofdpersonage Fürstin Werdenberg. In die eerste minuten vindt in alle vroegte een hartstochtelijke bedscène plaats tussen de edelvrouw en haar zeventienjarige minnaar, graaf Octavian.
Componist Richard Strauss en librettist Hugo von Hofmannsthal schrijven voor dat Octavian door een vrouw wordt vertolkt, mezzosopraan. Zij speelt een zogenaamde Hosenrolle, een vrouw verkleed als man, een veel voorkomend gebruik in het achttiende-eeuwse operarepertoire.
In de regie van artistiek leider Corina van Eijk van Opera Spanga (Friesland) duurt die woelig gespeelde en hartstochtelijk gezongen liefdesscène niet een paar minuten, nee, zo’n beetje de hele eerste akte is doortrokken van onverbloemde erotiek tussen de beide sopranen; gestoei onder de lakens op een immens bed, van geen ophouden willen weten. Er zijn sopranen die de rol weigerden omdat die te veel een ‘lesbische suggestie’ zou hebben, zoals Van Eijk in haar voorwoord tot de productie schrijft. Dit uitvergroten en accentueren is juist in de gloednieuwe Spanga-versie van Der Rosenkavalier (1911) het stijlkenmerk.

Het verhaal speelt zich af in het Wenen van 1760 waar keizerin Maria Theresia resideerde. Strauss en Von Hofmannsthal noemden de opera een ‘komedie voor muziek in drie akten’. Hij is ook wel een ‘capriccio’ genoemd, een destijds populair genre in de schilderkunst waarin imaginaire voorstellingen werden verenigd.
Een ‘capriccio’ is de juiste benaming. In een boerenschuur in het weiland zijn we getuige van een opvoering die zowel een lichtzinnige komedie is als een bittere ondertoon heeft. Cruciaal in deze opera is de vrouwvijandige rol van baron Ochs auf Lercheneau die mét machtsvertoon elke vrouw – hoe priller hoe beter, meisjes dus nog – niet zozeer najaagt, maar aan zich onderwerpt; seksverslaafd en misogyn tegelijkertijd, een giftige combinatie. Bariton David Visser (die vorig seizoen een angstwekkende Scarpia neerzette in Tosca) vertolkt zijn rol als een zingende gruwel.
Het is een meesterzet van Strauss/Von Hofmannsthal om drie sopranen tot de kern te maken: een dramatische sopraan, een mezzosopraan en een lyrische sopraan. Dat zijn respectievelijk Merlijn Runia als de getrouwde Marschallin, Itzel Medecigo in de travestierol van Octavian en de vijftienjarige Sophie gezongen door de pas afgestudeerde Canadese sopraan Erin Selin.

Interessant is het spanningsveld tussen de vermeende adel met hoffelijke omgangsvormen en de libertijnse liederlijkheid die achter dit masker van conventies schuilgaat. Baron Ochs jaagt Sophie na, niets windt hem meer op dan een pril meisje uit het klooster of van het boerenland dat moet dienen als kamermeisje. Als Visser als baron zijn eigen opwinding bezingt, is dat bijna té schandelijk. Juist dat onverbloemde is sterk, het is evenzeer ongemakkelijk.
De baron heeft een ‘rozencavalier’ nodig om het meisje ten huwelijk te vragen; dat is Octavian. Hij overhandigt haar een zilveren roos. De vader van Sophie, de perverse nieuwe adelheer Von Faninal, brengt de fascistengroet, draagt een ooglapje en probeert zichzelf, via zijn dochtertje, omhoog te werken. Bariton Jitze van der Land maakt van hem ook een griezel, belust op status, de lagere maar niet minder gevaarlijke pendant van de seksverslaafde baron Ochs.
Zangtechnisch is de uitvoering meeslepend. Prachtig is de uitgesponnen, doorgecomponeerde aria in de eerste akte van Runia waarin ze de angst voor de ouderdom van de Feldmarschallin verwoordt. Ze is er zeker van dat de jonge Octavian haar óók weer voor een jongere liefde zal verlaten. Medecigo brengt met vocale kracht en bewust wijdbeens ‘mannelijk spel’ de travestierol. De lyriek van sopraan Selin is heerlijk-verleidelijk.

Na de pauze verandert het decor, naar ontwerp Pieter van Rooij. Hingen er eerst adellijke portretten aan de wand, nu zien we schilderijen die geïnspireerd zijn op Gustav Klimt en Egon Schiele. Dit is het Wenen van Freud vol seksuele drift. Het is een statement te noemen dat Van Eijk baron Ochs waanvisioenen van castratieangst laat beleven als hij, via allerlei verwikkelingen, in de val wordt gelokt in een liederlijk bordeelachtige gelegenheid. Dit vormt een prelude op de val van Ochs: Sophie weigert met deze lomperik te huwen.
Componist Floris van Bergeijk transformeerde Strauss’ partituur voor vier keyboards, dus er is geen orkest. Alle muziek zit in de toetsen onder leiding van dirigent Tjalling Wijnstra. Dit zorgt voor een klankkleur die, als je het origineel kent, verrassend is. Het klinkt intiemer en verstilder, minder fel-dramatisch dan in de oorspronkelijk versie, met een hoofdrol voor ouderwetse Weense walsen die als een leidmotief terugkeren. Ook neemt Sprechgesang een groot aandeel in.
Dat Sophie en Octavian elkaar uiteindelijk vinden in de samenzang aan het slot, samen met de Feldmarschallin, zoals de partituur en het libretto voorschrijven, laat Van Eijk achterwege; geen happy end. Ook deze liefde beklijft niet. Het is een cynisch einde als Octavian alleen achterblijft. En nog een ingreep: in de tragische ondergang en ontmaskering van baron Ochs klinkt een krachtige variatie door op de ondergang van Don Giovanni uit Mozarts gelijknamige opera. Deze Der Rosenkavalier is gewaagd en durft grenzen op te zoeken, muzikaal en stilistisch. Het kan dus, operaconventies doorbreken.
Foto’s: Dinand van der Wal














Jammer dat je het programma alleen kunt lezen als QR-code tijdens de voorstelling en niet vooraf. De tekst van Corina moet je echt wel vooraf rustig gelezen hebben. Kan het programmaboekje niet op de website staan? Dat doet de Nederlandse Opera ook.