De Chinees-Indische restaurants waren lange tijd niet weg te denken uit het Nederlandse straatbeeld, inmiddels sluiten de filialen zienderogen. De voorstelling Happy in Holland geeft een inkijkje in de families achter die restaurants (meer…)
Ze had het er wel over gehad, met vrienden en familie, maar het kwam toch nog onverwacht: het luchtalarm, niet op maandagmiddag 12 uur, maar op donderdag, de beslissing om haar koffer te pakken, kleren, fotoalbum, weg uit Nederland. Halsoverkop naar dat land, waar ze als vreemde onthaald wordt, onwelkom, ongewenst.
Semmier Kariem (George Tobal) schrijft een boek over een Nederlandse vrouw die vlucht naar zijn thuisland. Een potentiële uitgever zou liever willen dat hij een boek schrijft over zijn eigen vlucht. Ze ziet niet dat hij alleen over zichzelf kan schrijven via het verhaal van een ander.
We ontmoeten hem op de dag dat hij het azc verlaat, op weg naar zijn nieuwe appartement: na 3,5 jaar heeft hij eindelijk een verblijfsvergunning. Een vrouw van wie hij nooit verwacht had dat ze voor hem zou stoppen, gaf hem een lift. En daar staat-ie, in zijn eigen huis. ‘Zijn, dat heb ik in jaren niet ergens kunnen doen.’

Denkend aan Holland van schrijver en regisseur Floris van Delft komt voort uit een eerder project dat hij initieerde: de grootschalige, door corona geplaagde theaterbewerking van Rodaan Al Galidi’s roman Hoe ik talent voor het leven kreeg (2020), waarin naast de professionele acteurs (waaronder Tobal) meerdere nieuwkomers op het podium stonden.
Deze nieuwe, intieme monoloog vertelt het verhaal van Semmier Kariem, die hoopvol het azc verlaat, zich ‘omringd door mensen’ weet, maar toch tegen muren aanloopt, categorisch gedehumaniseerd wordt, vernederd, weggezet als minderwaardig. Kansen volop, lijkt het aan de oppervlakte misschien, maar zijn dromen krijgen geen kans.
Simultaan aan dat verhaal, leest hij voor uit het boek waaraan hij werkt. Dat gaat over die vrouw die hem de lift naar zijn nieuwe huis geeft. Hij bedenkt hoe zij op een dag – als de oorlog in Nederland uitbreekt – moet vluchten naar het land waar hij vandaan komt. Deze indringende spiegel benadrukt de willekeur: wie nu nog een goedbetaalde jurist is met leuke, onbezonnen herinneringen aan backpacken in het buitenland, kan op een dag die vluchteling zijn, tot in de diepste vezels afhankelijk van de goede wil van anderen. Goede wil die meestal een houdbaarheidsdatum heeft, en vaak simpelweg ontbreekt.

Van Delft plaatste de meeste toeschouwers op losse stoelen verspreid over de speelvloer. Tobal loopt voortdurend tussen hen door, betrekt ze met open, en aanvankelijk licht spel in de scènes: zo krijgen de vrouw die hem een lift gaf, de klantmanager en de thuisloze in het park, even een gezicht – soms in pijnlijk lacherige interacties vol ongemak en wederzijdse verwarring.
Het is een eenvoudige, maar krachtige theatrale keuze, die benadrukt dat Tobals personage juist te midden van alle mensen – van wie de meeste heus goede bedoelingen hebben – er zo alleen voor staat. Ondertussen ontstaat er vanzelf ook een veelzeggend contrast tussen de rusteloosheid van Tobal (die zoekt, vastklampt, loslaat) en de statische toeschouwers, ontspannen op hun stoelen, die hun plek immers al gevonden hebben, en hun ogen almaar gericht houden op die dolende man in hun midden.
Zo voorkomen de makers op slimme wijze, zonder daar al te expliciet over te worden, dat publiek de voorstelling uitsluitend verlaat met een (comfortabel) gevoel van medelijden: deze voorstelling gaat eerst en vooral over óns, die tientallen ándere mensen op dat podium, en over de reikwijdte van onze verantwoordelijkheid. Denkend aan Holland gaat niet alleen over het zoeken naar houvast, maar vooral ook over het bieden ervan.
Foto’s: Bart Grietens













