Bij (het schrijven over) theater speelt eigenlijk altijd mee dat een deel van de voorstelling zich afspeelt in je hoofd. Het spel tussen wat de makers presenteren en hoe dat bij iedere individuele toeschouwer landt, tussen levenservaringen, voelsprieten en associaties, bepaalt de uitkomst van het navertellen en de gedachtevorming. (meer…)
Het Ierse gezelschap Dead Centre keert terug op Noorderzon met Deaf Republic, een bomvolle theatervoorstelling met dove en horende acteurs, poppenspel, live video, circus performance, boventiteling en poëzie in gebarentaal.
De makers baseerden hun voorstelling op de gedichtenbundel Deaf Republic (2019) van de Oekraïens-Amerikaanse dichter Ilya Kaminsky en werkten met een gebarentaaldichter, Zoë McWhinney. Kaminsky’s bundel verhaalt van een stad waar het plotseling oorlog is. Op het plein wordt een dove jongen door soldaten doodgeschoten. Hij had het bevel om het plein te ontruimen niet gehoord. De volgende dag zijn alle inwoners van de stad doof.
Dead Centre neemt dat gegeven en giet het in een raamvertelling van de tante en oom van de jongen die deel uitmaken van een troep poppenspelers. De cast bestaat uit dove en horende spelers. De gebarentaal wordt soms getolkt, soms boventiteld, en staat soms ook op zichzelf. Het is geen Nederlandse gebarentaal, dus voor zowel het horende als het dove deel van het publiek is het dan even de rust nemen om te proberen te begrijpen wat de spreker zegt.
Als je niet zo goed gebarentaal kunt lezen, kun je wel aandachtig kijken naar wat er gebeurt, naar hoe iemands persoonlijkheid doorschijnt in dat spel van handen, lichaamshoudingen, ogen en gezicht. De bedachtzaamheid waarmee acteur Romel Belcher zijn torso op spaarzame momenten draait, en de rust waarmee zijn handen van houding naar houding bewegen maken dat je de liefde van zijn personage voor dat van tegenspeler Caoimhe Coburn Gray beoordeelt als steady, aandachtig en betrouwbaar.
In de proloog keren deze twee het begrip ‘toegankelijkheid’ even prettig om; ze hebben hun best gedaan om ook voor het niet-dove publiek begrijpelijk te zijn. Het is tongue-in-cheek, maar gaandeweg wordt duidelijk dat de insteek is geweest om een ‘dove’ theatertaal leidend te laten zijn. Die aandacht voor de gebarentaal komt telkens terug; aan de horenden worden aspecten van het vertellen in die taal uitgelegd, zoals de ruimtelijkheid ervan, het belang van iemand aan blijven kijken, het aangeven met gezichtsmimiek en kijkrichting wie er in je verhaal spreekt, enzovoort.
Het is een visueel volle voorstelling ook, met projecties die worden ingezet als een soort gelijktijdig in- en uitzoomen. Op het achtertoneel is bijvoorbeeld de poppenkast te zien met de poppenspelers daarachter en -boven, terwijl op het doorzichtige screen op het voortoneel de poppen van heel dichtbij heel groot voorbijwandelen. Er is een echte auto die de vloer op rijdt, we schakelen van buitenplein naar slaapkamer, badkamer, en bordeel met veel rode glittergordijnen. De touwtjes van de poppen vinden een visuele echo in de kabels waarmee gestorven personages als slappe poppen omhoog de toneeltoren in worden getakeld.
Auditief is het een interessante avond. De eerste keer dat er een pistool afgaat, gaat de werkelijk keiharde knal gepaard met een verblindend wit licht. Veel hardere geluiden zoals dansmuziek, oorlogsgeluiden of toespraken zoemen, bonzen, kloppen of trillen door in de zaal van de Groningse Stadsschouwburg.
Bovenop de rijke beeld- en geluidstalen hebben de makers wel de neiging om de voorstelling expliciet te kaderen, en dat is er dan net te veel aan. Deaf Republic start met een proloog en eindigt met een epiloog, waarin wordt uitgelegd dat we theater gaan zien, en dat theater een plek van de verbeelding is, en een ruimte waarin we samenkomen om de wereld te proberen te begrijpen. Onnodig, en sturend want het voelt als een gedwongen eind goed, al goed. Maar Deaf Republic is zeker geen sprookje.
Foto’s: Daniël Pattiapon














