Oud mopje: er zwemmen twee vissen onder water. Ze komen een andere vis tegen. Zegt die andere vis: lekker water hè? De twee vissen zwemmen door en zeggen: aardige vis, maar wat is in hemelsnaam water?

Op Oerol buigt gelegenheidsgezelschap De Kapitalisten zich acht avonden lang in een dagelijkse theatrale denktank-talkshowconstructie over het kapitalistisch systeem, ofwel ‘het water waarin we zwemmen’ (of soms in lijken te verzuipen). Zijn we in staat dat water te veranderen?

De formule zal menig Oerolganger bekend voorkomen: eerder stond (een variant op) dit gezelschap op het festival met De idealisten (2017) en De futuristen (2019). Daaruit kwam steeds weer één ding bovendrijven: geld is de oplossing én oorzaak van al onze problemen. We moeten er wat mee, dus.

Een gezelschap aan theatermakers en muzikanten interviewt ’s middags een deskundige. Afgelopen woensdag was dat voormalig hoofdeconoom van de Rabobank Ester Barendregt. De theatermakers maken aan de hand van dat middaggesprek meteen een reeks scènes, monologen en liedjes, die ’s avonds eenmalig, vaak nog met tekst in de hand, worden opgevoerd, in een welwillend stemmende bonte avond. Nottrot installeert het publiek in de goede kijkmodus: ‘Gaat er iets mis? Dan vindt u dat léúk!’

De makers worden muzikaal ondersteund door Frank van Kasteren en Demira Jansen, en de korte acts worden versneden met blokjes waarin journalist Elke van Boxmeer de gast live interviewt. Elke avond resulteert in een soort aanbeveling: een door Jibbe Willems prozaïsch geformuleerd ‘wetsvoorstel’ ter verbetering van het kapitalisme. Het is een formule die garant staat voor een innemende mix van humor, diepgang, onzin en ontroering.

Een stroef, defensief gesprek
Toch resulteerde dat woensdagavond al snel in een stroef en defensief gesprek met Barendregt, zeker toen theatermaker Freek Vielen insinueerde dat ze die middag had gezegd dat banken er volgens haar nu eenmaal waren ‘om winst te maken, niet om de wereld te redden’, en dus binnen de regels van de overheid geen moreel kompas hoefden te volgen.

Naar aanleiding van een vriend die ervan baalt dat de A-locaties in Amsterdam ‘bezet’ worden gehouden door sociale huurwoningen, vroeg hij zich in zijn monoloog af in hoeverre banken ook morele verantwoordelijkheid (moeten) nemen. ‘Waarom zou iemand met meer geld in een mooier huis mogen wonen dan iemand met minder geld?’

Barendregt benadrukte direct dat ze verkeerd geciteerd (en begrepen) was, maar onduidelijk bleef wat ze wél gezegd en bedoeld had. Toenaderingspogingen van Vielen zelf, maar ook van Van Boxmeer en Nottrot, konden de avond niet redden. ‘Het gesprek was kapot’, constateerde Vielen de volgende dag, toen hij terugblikte op de avond. ‘Het lukte op geen enkele manier om de kloof tussen haar wereld en de mijne te overbruggen.’

Dat is jammer, omdat het gesprek (onder meer over de (morele) verantwoordelijkheid van banken en wat je als individu kan betekenen als je een eerlijker economisch systeem najaagt) zonder meer interessant was en de theatermakers daar in mooie en betekenisvolle acts op reflecteerden.

Twee piemels, een kat en een herfstblad
Zo zong Marcel Osterop een mooi, gevoelig lied waarin hij zich afvraagt of hij verschil heeft gemaakt. Rebekka de Wit worstelt met (haar eigen) verwachtingen: ze wordt geacht kritisch op de materie te reflecteren, de waarheid is dat ze geld ‘niet begrijpt’. Toen het gesprek tijdens het eerste interviewblokje met Barendregt over hypotheekrenteaftrek ging, betrapte ze zichzelf erop twee piemels, een kat en een herfstblad te hebben getekend.

Elvis de Launay en Marcel Osterop hebben nog een geinige sketch over een kunstenaar die geen lening krijgt omdat de bank voorziet dat het de geloofwaardigheid van de kunstenaar aantast, en daarmee dus ook de kredietwaardigheid afneemt. Mark Kraan en De Launay hebben twee korte intermezzo’s waarin twee brallerige kakkers op de tribune op de voorstelling zelf reflecteren – typetjes die ook de dag erna terugkomen, maar helaas niet aan voorspelbare flauwekul ontstijgen.

Een andere terugkerende bijdrage is wel geslaagd: Elvis de Launay schrijft dagelijks een ansichtkaart aan haar moeder, waarin ze heel persoonlijk reflecteert op de gast en thema’s van die dag. Woensdag vergelijkt ze zichzelf met een kind dat tussen de grote mensen aan tafel zit, totdat ze zich realiseert dat die andere grote mensen zich ook dat kind tussen grote mensen voelen. Ze heeft behoefte aan een moeder die het speelbord van tafel veegt.

De stille dirigent van ons leven
De volgende dag, als Michel Scholte (onder meer medeoprichter van True Price) te gast is, reflecteert Vielen op de stroeve avond ervoor. Hij voelde zich verantwoordelijk, schuldig en klote, stelt hij, maar weet nog steeds niet wat hij precies verkeerd begrepen heeft. Met Scholte, die geld ‘de stille dirigent van ons leven’ noemt, praat Van Boxmeer over verborgen kosten achter producten (en ervaringen, zoals Oerol – waar onder meer transportkosten, materiaalgebruik en structurele onderbetaling in de cultuursector de prijzen eigenlijk nog verder zouden moeten opvoeren). Hij pleit voor Prijsjesdag: een dag, in navolging van Prinsjesdag, waarin we ons bezighouden met de (maatschappelijke, ecologische) rekeningen die we nu opzijschuiven.

Of de wetsvoorstellen die elke avond uit de poëtische pen van Willems rollen, daadwerkelijk bedding gaan vinden in de verkiezingsprogramma’s die de komende maanden worden geschreven is de vraag, maar het feit dat we er gezamenlijk – met experts en leken, wetenschappers en kunstenaars, theatermakers en toeschouwers – over nadenken, lijkt me al winst op zich. Of moeten we juist ophouden met denken in winst?

Vielen reflecteert donderdagavond op wat een week lang denken over geld hem vooralsnog heeft opgeleverd. Hij constateert dat hij vooral zijn zoon mist. Tja, wat is van waarde?

Beeld: Geert Snoeijer