Goudgele graanvelden rondom, de ‘kromming’ van de horizon in de verte: de muziektheatervoorstelling De graanrepubliek speelt zich af in de ongekende weidsheid van het landschap van Oost-Groningen, het Oldambt.

Hier lag in de eerste helft van de twintigste eeuw de landstreek de Rode Driehoek van het communisme, met dorpen als Beerta, Finsterwolde en Nieuweschans. De baronnen van het graan, herenboeren, bouwden hoeven als paleizen. En de landarbeiders? Die werden vernederd, onderbetaald, hun zonen zwoegden op het land, hun dochters sloofden als meiden in dienst van de vrouwen des huizes.

Het is de theatermakers van Zummerbühne gelukt om van een overweldigend non-fictieboek als Frank Westermans De graanrepubliek (1999) overweldigend theater op locatie te maken. Tekstschrijver en regisseur Tom de Ket concentreerde zich op de periode 1929-1945, waarin de kiem werd gelegd voor de modernisering en industriële grootschaligheid van de agrarische samenleving.

In drama vertaald: de landarbeiders kwamen in opstand, gedragen door de vleugels van het opkomende communisme. De Internationale wordt luidkeels door de stakende landarbeiders gezongen, een portret van Lenin hangt in het decor en zijn negen meter hoge standbeeld staat bij entree van de speelplek in Oostwold. Rode vaandels zwaaien.

Aanjager en woordvoerder van de opstand is Ludo Staak (Steyn de Leeuwe). In de gewraakte herenboer Derk Barkhof (Peter Drost) vindt hij zijn grimmige, onberekenbare tegenstander die als symbool geldt van de onverzettelijke graanheer. De staking begon op 1 mei (Dag van de Arbeid) 1929 en duurde ruim vijf maanden.

Wat deze voorstelling zo knap maakt, is dat De Ket meer doet dan stakende arbeiders tonen: hij verweeft de mannen met hun gezinnen, zodat vrouwen en kinderen óók tegenover elkaar komen te staan en zelfs, via de liefde, ook weer tot elkaar lijken te komen. Sterk is dat zoon Barkhof (Jip van den Dool) verliefd wordt op de dochter van Ludo, Aletta Staak (Shelley Bos). Moeder Hermina Barkhof (Gusta Geleijnse) vernedert het dienstmeisje. Roerend is de scène waarin Aletta opgevoed moet worden en van bladmuziek een lied in g-moll moet zingen; dat kan ze niet. Huilend rent ze het koren in. Terwijl zij juist droomde zangeres te worden.

Vrouwen zijn sowieso de geheime, grote én verrassende kracht van de voorstelling. Verteller Lotte Dunselman loodst op soepele wijze het publiek door de historisch context en neemt af en toe deel aan het spel. Aletta (genoemd naar Aletta Jacobs, voorvechtster van het vrouwenkiesrecht) vertolkt de schakel tussen hoge en lage klasse als een diep doorleefd dilemma. Verliefd op de zoon, loyaal aan haar ouders en vooral aan broer Koert (Corné Kosse), die verstandelijk gehandicapt is.

Het groots opgezette toneelbeeld van Ruben Wijnstok met lichtontwerp van Guido van den Hof geeft de voorstelling een epische kracht: communistisch rood gloeit en dreigt aan de rechterzijde, gedistingeerd fluweelblauw van de bezittende klasse links. Klein detail: de gezichten van de herenboeren zijn witgeschminkt. Behoren zij al tot het dodenrijk, de voorbije tijd? Is dat de suggestie? De compositie is van Reinout Douma; swingende violen én jankende gitaren plus een heel orkest zwepen de handeling op.

De ritmiek van de regie is opvallend. Voor de pauze wordt de arbeidersstrijd als een niet te stuiten natuurkracht uitgebeeld. De energie van leider Ludo is meeslepend. Als het verhaal inzoomt op Aletta wordt alles invoelend, en zelfs teder. Geleijnse speelt de vrouw van de herenboer Barkof met Duits accent, ze verdedigt de beschaving die de hoge klasse brengt. Het trieste huishouden van Staak en zijn familie is beklemmend.

Na de pauze raakt alles in een stroomversnelling, met als dramatische dieptepunt de gewelddadige strijd van de stakers tegen de onderkruipers, mannen die geronseld worden om de oogst binnen te halen. Ludo raakt steeds meer in een isolement. Als hij en zijn vrouw Jantje (Rosa da Silva) ontslagen dreigen te worden, smeken ze om tóch te mogen blijven.

Hier voel je pijnlijk de afhankelijkheid van de landarbeiders jegens hun meerderen; ze zijn feitelijk niets anders lijfeigenen in feodale verhoudingen. Worden ze uitbetaald, krijgen ze het schaarse muntgeld op de grond gesmeten.

Na de pauze versnelt de voorstelling, er is dan ook veel dat verteld moet worden. Landbouwmachines gaan het werk overnemen en dit is een schoolvoorbeeld van de dramatische paradox (scherp gezien door De Ket en Westerman): de staking geeft de mechanisatie een boostwaardoor de landarbeiders die opkwamen voor rechtvaardiger uitbetaling uiteindelijk zichzelf overbodig maken, en dus tot nog dieper armoede vervallen.

Een voorstelling als deze met die grote historische dimensies stelt ook het publiek voor dilemma’s: gaat je hart of verstand uit naar opstandigheid of is er ook redelijkheid te vinden in de zelfbenoemde landadel met hun rigide machtsuitoefening? Een thema dat ook zo emotioneel geschetst wordt in bijvoorbeeld De kersentuin van Tsjechov uit 1904, dat de oude tijd versus de nieuwe tijd tot onderwerp heeft.

De voorstelling heeft een soort dubbel einde. Tegen het slot vindt een discussie plaats tussen de protagonisten over het lot van de boerenarbeider en de toekomst van het boerenland – een discussie die op heden actueel is. Maar dan? In de Tweede Wereldoorlog sloten de herenboeren zich aan bij de NSB, het wordt bijltjesdag, de dag van de grote vereffening: het gezin Barkhof zit geknield op de grond. Het gezin Staak rekent wreed met hen af. De archieven van de collaboratie zijn recent geopend en er volgt een wending met een grote dramatische impact.

De vraag is: is dit niet te veel? Het bittere slot is nietsontziend, het liet mij als toeschouwer onthutst achter. Dat is enerzijds knap en volgt de nieuwste ontwikkelingen, waaraan Westerman in diverse interviews rondom de theaterversie ook aandacht schenkt. Anderzijds is de schok groot. Dat heeft te maken met je eigen betrokkenheid bij de verwikkelingen en vooral je eigen sympathieën. Uiteindelijk laat juist de heftigheid van dit gehele muziektheater je niet onberoerd.

Zoals de historische gebeurtenissen een diepe kloof trokken en nog steeds trekken in de bevolking van het Oldambt, zo trekt De graanrepubliek óók een kloof in het gemoed van de toeschouwer. Het is dankzij het schitterende spel van elke speler dat je verzeild raakt in verschuivende sympathieën: ik kon het ook eens zijn met Geleijnse die Hermina ondanks alles geloofwaardig neerzet. En in mijn hart leefde ik eveneens mee met Shelley Bos als Aletta, die het lot van ondergeschikte meid zo tastbaar maakt. Als een voorstelling dat kan bereiken, is dat belangwekkend. Zowel in theatrale als historische context.

Foto’s: Reyer Boxem