De speelplek is een parkeerplek in Zierikzee, alles van steen. De spelers spreken met elkaar en met het publiek af: stel, het water komt hoog te staan, alles verdwijnt onder de zee. Behalve een dorp dat de bewoners ‘het hoes’ noemen, daar is het veilig.

Met blauwe handschoenen geven de acteurs weer hoe het water stijgt en achter hen het dorp veilig blijft. Droogrekken met wit, in de wind waaiend wasgoed symboliseren het dorp, een mooie vondst. De spelers zijn gehuld in witte rafelgewaden. De familievoorstelling heet De exploderende walvismusical en toert al enige tijd door Nederland, als project. Nu staat hij als voorstelling in het Zeeland Nazomerfestival dat als thema water heeft en alles wat daarmee te maken heeft: klimaatverandering, zeespiegelstijging, klimaatvluchtelingen.

Volgens het festival is Schouwen-Duiveland de ideale plek om het thema ‘de zee neemt, de zee geeft’ te verdiepen. De Watersnoodramp van 1953 heeft hier dramatisch toegeslagen, op Schouwen-Duiveland is het Watersnoodmuseum gevestigd, in Ouwerkerk, waarmee het festival in deze editie veel samenwerkt. De exploderende walvismusical is niet per se gemaakt voor het festival, maar past bij het thema.

Naar een idee van theatermaker Elsa van Dijk krijgt een andere, niet-Zeeuwse historische gebeurtenis een theatrale uitdrukking: in november 1970 spoelde een reusachtige walvis van veertien meter lengte en acht ton gewicht aan op het strand van de Amerikaanse staat Oregon. De autoriteiten wisten zich geen raad met het kadaver en besloten het met behulp van een reusachtige hoeveelheid dynamiet op te blazen. De stukken van het dier vlogen tot ver in de omtrek. Ook vanzelf exploderende walvissen vanwege ontbinding komen voor. De geschiedenis kent een groot aantal. Vandaar dus de titel, hoewel de musical zelf met geen woord rept over de diepere achtergrond.

De spelers zijn ook de muzikanten; ze bespelen niet alleen toetsen en blazers, ook maken ze vocaal de geluiden die bij het onderwerp horen: hartverscheurend als de walvis ontploft, geluiden van de zee. Kern van de verhaallijn is het conflict tussen ‘droog’ en ‘nat’. Het dorp is droog, ieder is veilig. Maar een iemand niet, het personage dat ‘de buiten-de-deur-mens’ heet. Hij wordt welbewust buitengesloten. Dit mens verhaalt over een ‘ kindsel’ dat de gebeurtenissen met verwonderde blik aanschouwt. De dorpsmensen drinken geen water, alles wat naar natheid zweemt wordt afgeweerd. Een flesje water gooit men over de dorpsmuur naar buiten. Als ze in hun broek plassen, staan ze verschrikt te kijken.

De personages noemen elkaar en zichzelf  ‘mens’ en het dorp ‘oes hoes’. De eilandbewoners praten welbewust in een welhaast ondoorgrondelijke taal vol klankrijkdom, suggesties van dialect, dartele neologismen, onomatopeeën, soms zelfs ondoorgrondelijke taalwrochtsels en plastische beschrijvingen. Voor een jeugdig publiek is dat misschien niet altijd goed te volgen. Die verbale klankrijkdom maakt de dramatische lijn soms onzichtbaar. Maar gelukkig is de beeldende kracht ruimschoots sterk.

Het dorp en zijn ‘prissidentmens’ (als ik het goed heb onthouden) zijn trots op hun overwinning op het water. Dan plots ligt er een walvis voor de deur, symbool van alles wat nat en vooral vies is. Het aangespoelde dier zorgt voor enorme consternatie. Ze blijkt zelfs een klein, wit babywalvisje met zich mee te dragen. Dat zien we door een patrijspoort in haar buik. Als het moederdier sterft, ofwel al exploderend ineen zijgt, bevrijdt de buiten-gesloten-mens het jonge dier en laat haar wegzwemmen in de blauwe  golven, mooi verbeeld door spelers met blauwe pruiken op, de zeemensen. Prachtig is het moment dat de buitengesloten mens het ooglid van de walvis sluit.

De musical is een vrolijke, toegankelijke voorstelling over zoiets abstracts als klimaatverandering. De spelers zijn sterk op dreef en ze genieten van hun woordbrouwsels, zoals over de walvis met vinnen die lijken op vleugels: het is het ‘vleugelsbekstinkdier’. De vermeende veiligheid van het dorp is fragiel en uiteindelijk kunnen de bewoners niets anders doen dan het water en de zee omhelzen; niet tegen de dreiging vechten, maar ermee leren leven, dat is de boodschap. Als je de historische context van de strijd van Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden tegen het water mee in ogenschouw neemt, dan krijgt de musical extra betekenis. In het sprekende slotbeeld gaat het regenen, dat betekent: een van de spelers houdt een miniatuur van het dorp in haar handpalm en de ander sproeit er water uit een gieter overheen. Een beeld dat beklijft.

Foto’s: Koen Broos