Een wit doek, een verzameling geweldige dansers, een tour door het land en een hele hoop praktische ondersteuning: dat belooft Conny Janssen elk seizoen weer aan drie veelbelovende jonge choreografen. Het blijkt een vruchtbaar concept. In vorige edities van Danslokaal ontwaren we namen die nu vaste prik zijn in het Nederlandse dansveld: Connor Schumacher, Ryan Djojokarso, Tú Hoàng en Dunja Jocic bijvoorbeeld.

Voor deze veertiende editie mochten Lea Ved (van Korzo), Amparo González Sola (Dansateliers) en Maciej Kuźmiński (Conny Janssen Danst) hun creativiteit de vrije loop laten in de grote witte dansstudio van Huis Conny Janssen Danst in Rotterdam. Alle drie wapenden ze zich met drie dansers, maar daar houden de gelijkenissen wel op. De talentvolle choreografen presenteren drie compleet verschillende werken: van ritmische bezweringen tot uncanny vriendschapsverzoeken.

Lea Ved mag de avond aftrappen. De titel van haar choreografie, Rêverie, betekent iets als dagdromen, mijmeren of in gedachten verzonken zijn. En inderdaad: dit werk lijkt wel omhuld met een soort dromerige, etherische kwaliteit. Terwijl op de achtergrond stadsgeluiden – spelende kinderen, rinkelende telefoontjes en langsrijdende auto’s – te horen zijn, bewegen de drie dansers zich bedachtzaam over de speelvloer.

Soms versnellen ze, alsof ze verstrengeld raken in de snelheid van een wereld die maar door- en doorholt. Maar keer op keer wordt die versnelling gevolgd door een vertraging. Dan krijgen hun bewegingen iets stroperigs en zweverigs, alsof de planeet net iets langzamer om zijn as draait en de tijd een klein beetje vertraagt.

Toegegeven: die dromerigheid heeft iets in zichzelf gekeerds waar ook de choreografie niet helemaal aan ontsnapt. Op de momenten dat dansers Adi Amit, Josiah Davey en Sara Mistrorigo uit elkaar bewegen en elk opgaan in hun eigen universum is het moeilijk er nog helemaal bij te komen. Des te krachtiger voelt het wanneer ze elkaar weer ontmoeten en hun bewegingen moeiteloos in een soort gezamenlijke stroom lijken te versmelten.

Het heeft iets kinderlijks, jezelf te durven verliezen in gedachten, weet ook Ved, die de kinderstemmetjes nog een keer door de boxen doet galmen. Jaloersmakend bijna, de vrijheid om even te kunnen ontsnappen in je eigen hoofd. En fijn, zo’n choreografie die je er de kans toe geeft. 

Nog zo’n choreografie waar de kinderlijkheid vanaf lijkt te spatten, is die van Maciej Kuźmiński. Can We Be Friends? heet het werk van de choreograaf die vorig jaar tijdens de Rotterdam International Duet Choreography Competition de Conny Janssen Danst Partner Award won. Een kleine kanttekening: deze kinderlijke wezens zijn best wel een beetje creepy. 

Als poppetjes uit een muziekdoos, zo bewegen de drie dansers zich voort in strakke witte pakken en scherpe hoeken. Net niet helemaal menselijk zijn ze. Daarvoor zijn ze iets té blij, iets té enthousiast en iets té strak. Vooral Yanaika Holle heeft een uncanny leegte achter de ogen. Ook Yashasvi Shrotriya toont zich, gevangen in een soort haperende playbackloop van menselijke emotie, meester van zijn mimiek en eerder artificieel dan ademend. 

En ondertussen blijven ze maar contact zoeken, deze drie robotachtige wezens. Met elkaar – samen rennen ze van hoek naar hoek en gooien ze zich vol overgave de hele speelvloer over – maar ook met het publiek, vurig zwaaiend en lachend.

Uiteindelijk gaat het Kuźmiński over de fascinatie voor én de schroom jegens AI, valt er in het programmafoldertje te lezen. Maar wat de jonge choreograaf ook toont – met de zwoele tonen van Tyler, The Creator’s Are We Still Friends? op de achtergrond – zijn een duidelijke stem en stijl, zijn precisie en zijn humor. Met Can We Be Friends? heeft hij in ieder geval een wonderlijk actuele, grappige en slimme choreografie neergezet.

Helemaal anders dan de witte pakken bij Kuźmiński zijn de donkere, mysterieuze en geheimzinnige sferen bij Amparo Gonzáles Sola. In haar werk, What Do These Muscles Remember?, onderzoekt ze welke bewegingen en herinneringen het lichaam opslaat en of dat ook van generatie op generatie overdraagbaar is. 

Drie vrouwelijke dansers lopen fluisterend, bijna sissend, de dansvloer op. Het lijkt een beetje op een bezwering, deze vreemde samenkomst. Een stevig ritme doet de dansers vervolgens vervallen in een gezamenlijk ritueel, een soort geestuitdrijving. Een voor een gooien ze hun armen naar voren, slaan ze met hun handen op de grond of trekken ze een onzichtbaar touw naar achter, zuchtend en steunend, daartoe aangespoord door dat onophoudelijke ritme.

De choreografie is omgeven door een gezonde laag mystiek, maar door al die raadselachtigheid heen is er ook sprake van een niet te breken verbinding tussen dansers Noor Argov Dayan, Lucrezia Minelli en Lola Piret. Als een mechanisch klokwerk tikken, stampen en slaan ze zich een weg door de dans. Ze eindigen met een hypnotiserend ritme, dicht op het publiek. Misschien kunnen ze de naam van hun choreograaf ermee in het geheugen van de toeschouwer griffen.

Foto’s: Martijn Kappers