Er bestaan inmiddels vele versies en bewerkingen van Carmen, zeker een van de meest uitgevoerde opera’s uit het standaardrepertoire. Opera Compact baseert zich voor haar opvoering op het werk van Ernest Guiraud. Deze bevriende collega van Georges Bizet zette de dialogen van de oorspronkelijke opera om in door orkest begeleide recitatieven.

De speellocatie is waarschijnlijk de reden achter deze keuze van Opera Compact, dat Carmen opvoert in een manège in de open lucht. De tribunes zijn aan drie kanten rondom het speelveld van zandgrond opgesteld, en microfoons compenseren het gebrek aan zaal-akoestiek.

De ruimtes tussen de tribunes dienen voor opkomsten en aflopen en aan de overblijvende kant is een tent opgesteld waarin het tot een dertiental instrumenten gereduceerde orkest is opgesteld. De dirigent staat achter de handeling en er zijn geen monitoren zichtbaar, dus de coördinatie tussen dirigent en zangers vereist extra alertheid van beide kanten.

Door hun behuizing zijn de instrumentalisten – in tegenstelling tot het publiek – beschermd tegen de Nederlandse elementen, zodat die dan ook genadeloos op de première hun gang konden gaan: regen en wind lieten zich vóór de pauze rijkelijk gelden.  Het publiek bleef stoïcijns zijn aandacht richten op het toneel. Gelukkig is het weer nooit een reden om geen evenementen van dit kaliber te organiseren. Dit initiatief heeft ongetwijfeld een nieuw publiek weten te bereiken.

Het verhaal is voor deze productie, in de regie van Eva Custers, verder ontdaan van een hoop franje. Een aantal tweedeplans rollen zijn geschrapt, evenals sommige muzikale nummers. De vertelling concentreert zich op de driehoek Carmen-José-Escamillo. Carmen, die José het hoofd zo op hol brengt dat hij zijn militaire status verraadt en zich bij de smokkelaarsbende aansluit, en de stierenvechter Escamillo, die verschijnt op het moment dat Carmen kennelijk uitgekeken is op José.

Dat de voorstelling opent met een uitgeregisseerde ouverture waar José’s femicide al zichtbaar wordt gemaakt, is misschien ingegeven door het beroemde muzikale steeds terugkerende destin-thema, maar werpt een schaduw vooruit die het gegeven niet echt verrijkt met een interessant perspectief.

De kennelijke intentie is om te komen tot een kritische lezing van de opera, die op zich een neerslag is van een specifieke negentiende-eeuwse blik op liefde, mannen, vrouwen en daarmee samenhangende conflicten. Ensceneringen in het verleden van het werk hebben zich overigens ook regelmatig gericht op een kritische benadering van dit gegeven – van Peter Brook en Calixto Bieito tot Ted Huffman – en deden dit op een schaal van radicaal tot marginaal.

In deze versie wordt niet helemaal duidelijk waar die kritische benadering terug te vinden zou zijn. Carmen, José en Escamillo lopen met grote stappen rond in uitwaaierende mise-en-scènes, maar echte confrontaties worden niet aangegaan. Daardoor komen de situaties niet echt uit de verf. De muzikale omslagen en soms overrompelende verrassingen in het muzikale idioom van José bijvoorbeeld worden in het spel niet zichtbaar gemaakt, het raadsel Carmen komt maar niet naderbij en de interessante scène tussen José en Escamillo, stierenvechter en militair, beiden gepokt en gemazeld in gewelddadig gedrag, blijft steken in een dunne schets van een knokpartij. Ook bij de pogingen van Micaela om José op het deugdzame pad te houden en later om hem daarnaar terug te laten keren, wil de situatie maar niet gaan schrijnen.

Het koor gaat gekleed in kostuums die de alledaagsheid lijken te benadrukken. Hierdoor blijven de individuen wat kleurloos, maar misschien werd dit juist door de regenluchten extra versterkt. De manipulatie van grote donkere lappen stof in combinatie met de springstaanders uit de paardensport die hier en daar in het zand geplaatst staan, slaagde er niet in de fantasie in een spannende richting te prikkelen.

Vocaal is het allemaal heel behoorlijk, hoewel soms wat té rechttoe rechtaan: Bizets compositie bevat vocaal meer nuance en rijkere contrasten dan in deze uitvoering te horen zijn. Dirigent Enrico Delamboye gebruikt wel de wendbaarheid van het gereduceerde ensemble ten volle. Het is in het begin even wennen aan het wat kalere geluid dan een volbloed orkest zou produceren en de lyrische kwaliteiten van deze Carmen bloeien daardoor niet altijd even bloemrijk op. Eenmaal op dreef slaagt het orkest er voortreffelijk in om bijvoorbeeld de dankbare accelerandos in het Chanson Bohème het volle pond te geven.

Lucie van Ree’s mezzo beschikt over een opvallend fraaie sonore laagte en Deniz Yilmaz’ tenor heeft voor de rol van José een welhaast ideale kleur. Wiebe-Pier Cnossens immer lastig waar te maken rol van Escamillo completeert adequaat het centrale trio. Fenna Ograjensek voegt als Micaela haar capabele sopraan hieraan toe, maar eigenlijk ontbreekt in alle scènes de voor het verhaal zo noodzakelijke sensualiteit. Juist een kritische benadering zou zich vooral voor die kant van het verhaal kunnen interesseren, maar de regie heeft kennelijk aan andere prioriteiten de voorkeur gegeven.

De regisseur maakt met deze productie haar operadebuut en dat is onder deze omstandigheden een hele uitdaging. Het mag geen wonder heten dat de regie er niet in slaagt organisch alle overgangen te realiseren. Er zijn ongemotiveerde loopjes en zinloze verplaatsingen, waardoor de dramatische zeggingskracht uitgehold wordt: de rollen lijken zich meer met zichzelf bezig te houden dan met elkaar. Misschien komt het door de arena-opstelling die de regie optimaal heeft willen uitbuiten, maar in de duetten en bijvoorbeeld ook in het befaamde trio des cartes waar Carmen met haar twee metgezellinnen via kaartlegging hun toekomst probeert te voorspellen, trekt de mise-en-scène de zangeressen zo uit elkaar dat de situatie onduidelijk wordt en het drama uiteenrafelt. Daardoor werkt de voorstelling als totaal ietwat onbevredigend, ondanks de positieve aspecten.

Foto’s: Sanne Linssen