Regisseur Serge van Veggel en zijn team kozen ook voor deze bijkans doodgespeelde opera van Bizet een interessante invalshoek. Zij plaatsen de handeling in 1871, tijdens de verloren oorlog tegen de Pruisen en de daarop volgende opstand van het Franse volk.

Het eist zelfbestuur en verenigt zich in de Commune van Parijs, met Carmen – ‘La Colonelle’ – als leider van de rebellen. Haar minnaar José is de weifelachtige soldaat die verscheurd wordt tussen trouw aan zijn stand en de hang naar vrijheid van de onderklasse waartoe Carmen behoort.

Geïnspireerd door een artikel van de musicologe Delphine Morday, schreef Van Veggel samen met de Franse librettist Gilles Rico een nieuwe tekst. Rode draad vormen de brieven die José aan zijn moeder schrijft. Deze zijn deels ontleend aan Bizets eigen berichten over het verloop van de rebellie, en worden uitgesproken door een stem op band.

Opvallend genoeg zijn veel van de originele teksten van Ludovic Halévy gehandhaafd, waarbij de oorspronkelijk gesproken delen in ere zijn hersteld. Dit maakt het geheel levendiger dan met de later toegevoegde recitatieven. Ook de scènewisseling werkt wonderwel: de eindeloos uitgevente vrijheidsdrang van Carmen past uitstekend bij het verlangen van het volk zich te verlossen van uitbuiting.

Feministisch tintje is dat de revolutionairen vrouwenkiesrecht eisen en Carmen zich erover beklaagt dat je als vrouw ‘ja en amen moet zeggen als de opzichter je naar zijn achterkamertje gebiedt’. De overbekende aria ‘L’amour est un oiseau rebelle’ klinkt hier overigens niet in de overbekende versie, maar in de meer militante oorspronkelijke zetting, die perfect aansluit op het revolutionaire onderwerp.

De tot Michaëlla omgedoopte Micaela, lid van de gegoede klasse en beoogde bruid van José, tracht met rationele argumenten te schipperen tussen beide kampen. Vergeefs, uiteraard. Hiermee trekt Opera2Day niet alleen een parallel met de tijd van Bizet, maar ook met onze huidige maatschappij. Een almaar intensiverende polarisatie brengt enkel ellende: aan het eind van de voorstelling vallen de opstandelingen op een enkel geweersalvo van het leger als één persoon dood neer.

Het toneelbeeld van Herbert Janse evoceert het Parijs van het fin de siècle, met gevels van grauwe woonkazernes en marktkramen met groente en tabaksbladeren. Puinhopen en aan de Eiffeltoren herinnerende ijzertorens fungeren als barricaden. De herberg van Lillas Pastia (een geestige bijrol van de kok Alain Caron) is omgedoopt tot Club de Madrid en oogt met zijn bloedrode licht (Uri Rappaport) als een louche bordeel; op de achtergrond zien we schilderingen van stierenvechters. Ook de kostuums (Mirjam Pater) zijn goed getroffen: de soldaten dragen blauwe uniformen, de bevolking is gestoken in haveloze outfits in alle tinten rood – Michaëlla steekt hier in haar sjieke dameskostuum danig tegen af.

Mezzosopraan Tania Kross heeft een uiterst sonore stem en paradeert als geboren legeraanvoerder over het toneel, terwijl ze tegelijkertijd alle mannen met schalkse blikken en gebaren om haar vinger windt. Ze durft ook ‘lelijk’ te zingen, bijvoorbeeld wanneer ze José zijn angsthazerij voor de voeten werpt, of zich realiseert dat haar dood nabij is. Haar tegenspeler Antonel Boldan heeft een mooie tenor, maar overschreeuwt zich geregeld en weet zijn rol van José geen vlees op de botten te geven.

De gevierde torero Escamillo (de bas-bariton Louis de Lavignère) treedt hier op als Camille Ducourage, een van de leiders van de revolutie. In zijn gevecht van man tot man om Carmen vernedert hij José door hem als een stier een rode vlag voor te houden en hem te bespotten om zijn gebrek aan vechtlust. Mooi zijn de (mezzo)sopranen Lucie van Ree en Kristina Bitenc, de vriendinnen van Carmen die de tarotkaarten hebben ingewisseld voor geweren.

Maar de ware ster van de avond is de sopraan Ana-Carmen Balestra (Michaëlla), die met haar romige sopraanstem, verfijnde dynamiek en ingeleefde vertolking alle aandacht naar zich toetrekt. Diep ontroerend is haar aria ‘Je dis, que rien ne m’épouvante’, waarin ze zichzelf moed inspreekt om José van het slagveld te halen en naar zijn stervende moeder te begeleiden. Lof ook voor de hoornist(en) die prachtig weemoedige lijnen om haar zangpartij vlechten.

Het gelegenheidskoor zingt krachtig en draaft met kennelijk plezier vechtlustig over het toneel. Het door Irene Verburg geleide kinderkoor komt op vanuit de zaal en is geweldig in het bekende ‘Taratata’. Ook bij hen spat de speelvreugde ervan af. Het op negentiende-eeuwse instrumenten spelende B’Rock Orchestra tovert een aangenaam warme klank uit de orkestbak.

Gaandeweg de 3,5 uur durende voorstelling voert dirigent Hernán Schvartzman de decibellen helaas steeds verder op, waardoor nuances verloren gaan en de ritmische aansluiting met koor en solisten soms ontspoort. Dit komt mede door de vele massascènes, die wellicht begrijpelijk zijn vanwege de onderwerpkeuze, maar het adagium less is more is hier bepaald niet toegepast. Leuk detail is dat Lillas Pastia ons in de pauze een glas wijn inschenkt, terwijl koorleden ‘Vive la révolution!’ roepend rondlopen, zwaaiend met revolutionaire pamfletten.

Met deze productie bewijst Opera2Day eens te meer dat zij het ijzeren repertoire inventief en speels nieuw leven weten in te blazen.

Foto’s: Bart Grietens