‘De Poppenkast op de Dam.’ Zelf kende ik hem niet, maar die is dus al ruim tweehonderd jaar een begrip. Iedere zondag tussen mei en oktober drommen kinderen op het plein voor het Paleis samen om zich te laten meenemen in de avonturen van Jan Klaassen en Katrijn. Over de allereerste poppenspeler die tegen het einde van de 18e eeuw besloot zijn karretje met handpoppen het Damplein op te duwen, heeft theatermaker Denise Beekman (1992) een voorstelling gemaakt. Giuseppe Capaldi heette hij. Een Italiaan. Hij is een verre voorouder van haar.

‘Waar kom ik vandaan en wat zegt dat over mij’, zingt Beekman zachtjes, op gitaar begeleid door haar compagnon Esker van de Werken. We zitten tussen de stalen tralies van de zogenaamde Leeuwenkooi, midden in het festivalgedruis van de Parade. Op deze plek vindt later op de avond de Silent Disco plaats, en net als in die disco draag je als bezoeker van Capaldi een koptelefoon, waardoor het kleine, subtiele spel van Beekman en Van de Werken versterkt tot je komt. Het is alsof de Parade zelf eventjes op mute staat.

Wat heeft Giuseppe Capaldi, die uit een Italiaans bergdorp naar Amsterdam toog om zich daar als artiest te vestigen, Beekman te leren over haar éigen verhaal? Met die onderzoeksvraag besloot ze de plekken waar haar voorouder zich ruim twee eeuwen geleden bewoog op te zoeken. Om het verhaal over de poppenspeler te vertellen, maakt ze (uiteraard) gebruik van poppenspel.

Foto Casper Koster

Zelf ontwierp ze de pop die Capaldi voorstelt: een buikspreekpop met een scharnierende mond, een bleek gezicht, wild, grijsblond haar en een kinderlijk open blik. Aangezien hij dus Capaldi voorstelt, bedient de pop zelf weer andere (kleinere) handpoppen, die op hun beurt weer poppenspelers voorstellen, die ook weer poppen (nu vingerpopjes) bedienen – een geestig droste-effect, dat door de zorg en liefde die zichtbaar in de vormgeving gestoken zijn ook iets ontroerends heeft.

Via de poppen neemt Beekman haar publiek mee op haar reis. Ze bezocht de Duvelshoek in Amsterdam, bij theater Tuschinski, waar Capaldi met zijn gezin woonde; een arm buurtje vol artiesten, gokverslaafden, waarzeggers en sjacheraars. Ze nam de trein naar het Zwitserse Neuchâtel, waar Capaldi op zijn 53ste stierf. En ze reisde naar Picinisco, het Italiaanse bergdorp waar Capaldi zijn jeugd doorbracht.

Het ziet er allemaal prachtig uit. De poppenkastkar, bezet met miniatuur-ziekenhuisbedjes, een tot poppenkast opengewerkte vioolkist, een openklapbare marktkraam. Een ‘muzikale hond en geit’ met voetbediening. De aandacht voor detail waarmee het allemaal is vormgegeven (door Merel Pielkenrood, Raven van de Werken en Ramon van de Werken) maakt iets voelbaar van de toewijding waarmee het gezelschap bezig is geweest met het onderwerp.

En toch slaagt de voorstelling er niet helemaal in ‘il grande Capaldi’ tot leven te wekken. De magie die zich in poppenspel kan voltrekken, waarbij de toeschouwer zich overgeeft aan de illusie en domweg vergeet dat de pop door een mens wordt bediend, die vindt hier niet plaats; de poppen blijven toch vooral attributen. Ook de tekst (Eise Ivo Smit) slaagt er niet echt in Capaldi’s wereld te bezielen, de woorden blijven vaak wat machteloos over de oppervlakte scheren.

Wat wel erg intrigeert, is het thema van zelfbeschikking, dat subtiel door de hele voorstelling heen geweven is: bepalen we zelf hoe we ons leven inrichten, of vormen onze keuzes zich naar de mal die een lange lijn van voorouders voor ons uitholde, en zijn we in zekere zin net zo willoos als de pop in de handen van de poppenspeler? In een sterke slotscène spoort de Capaldi-pop Beekman, die hem bedient, aan om de voorstelling op eigen kracht te eindigen. ‘Jij kan het zonder mij, Denise’, zegt Capaldi, bemoedigend. Zo schenkt de pop de poppenspeler (en de voorouder de achter-achter-achterkleindochter) in die mooie omkering, haar autonomie.

Foto boven: Pawel Staskiewicz