Amsterdam heeft een opstandig imago. Maar toch heeft de overwegend linkse stad bijna lijdzaam toegekeken hoe het grootkapitaal de bouwmarkt in handen heeft gekregen, waardoor het hart van de volkshuisvesting, betaalbare huurwoningen, beklemd is geraakt. (meer…)
Het is beslist een sympathiek idee om een toonaangevend muziektheaterfestival juist niét te openen met een première van een coryfee uit het internationale opera-, muziek-, of theatercircuit, maar juist met een première van een nieuw werk voor een grote gemengde cast van beroeps- en amateurspelers en -zangers. En als extra bijzonderheid is het gegeven dat het overgrote deel ervan de pensioengerechtigde leeftijd al (bijna) bereikt heeft, of zelfs al geruime tijd die status heeft.
Dit grootschalige gebeuren vindt dan ook nog plaats op een excentrische locatie: de fraaie (Waterstaat)-kerk in Schiedam. Meteen bij aanvang is die locatie onderdeel van de voorstelling: vanaf het balkon richt artistiek leider van Silbersee en regisseur Romain Bischoff zich tot het voor het westwerk verzamelde publiek en steekt hij een parodistische preek af. Daarin concludeert hij dat het katholieke Schiedam zijn spirituele toevlucht kon nemen tot god of tot de fles. Hierna kan het publiek binnen plaatsnemen op de forse tribune die in het middenschip geplaatst is met zicht op het grote orgel.
De plek waar gespeeld en gemusiceerd wordt, is ingericht met losse decorelementen: er hangen draperieën, er staan verschillende muziekinstrumenten, waaronder twee orgelpositieven, er staan fauteuils, een tafeltje met een (mechanische) schrijfmachine, een metalen verrijdbare kliko en overal hangen lampen die eenmaal ontstoken, felgekleurde stippen in het beeld tekenen.
In processie, zoals het in een kerk betaamt, komt de grote groep spelers op, allen gekleed in zeer fantasievolle kostuums die de associatie met carnaval oproepen, en misschien doelbewust verwijzen naar een Epifanie, zowel het feest als het verschijnsel.

Na een gezongen tekst van een figuur die uitgedost is als De Dood, barst dan het eerste muzikale ensemblenummer los: een parafrase van de hand van componist Akim Moiseenkov op het halleluja-koor uit The Messiah, op een banaliserende tekst van Jibbe Willems. Dit zal gedurende de avond niet het enige muzikale nummer zijn dat op deze wijze onder handen wordt genomen: later klinken versies van de Cold Song uit Purcell’s King Arthur, maar ook repertoire van Marlene Dietrich komt voorbij, en les feuilles mortes, en vergelijkbare muzikale nummers.
Deze nummers worden solo uitgevoerd of door het hele ensemble, begeleid door orgel en/of slagwerk. Een van de muzikale hoogtepunten is een fraaie solo (Fee Suzanne de Ruiter) die hoog van boven over het publiek uitgestort wordt. Deze nummers worden afgewisseld met scènes en monologen van de verschillende rollen, zoals Spruit, Terra, Sensibilia, Knappe Uil, Overderand, Poète Papier.
Bijzonder daarbij is dat er een soort live soundscape meespeelt. Er wordt geneuried, gefloten en gezongen. Daardoor krijgen de tekstdelen van deze volksopera een originele muzikale bedding, waardoor die ook opgenomen worden in de muzikale structuur van het werk.
De dramatische structuur laat daarentegen wel te wensen over. De kerk speelt zichzelf: we blijken ons in een dorp te bevinden dat verlaten is door de jongere generaties en de achtergebleven ouderen zijn in de dorpskerk een café begonnen om… tja, waarom eigenlijk? Om de tijd te doden?

De meeste monologen refereren inderdaad aan voorbije fasen in een mensenleven, maar het blijft in het midden in welke metafoor we ons precies bevinden: er is aanvankelijk inderdaad sprake van het voorgeborchte. En midden in de opera komt een nieuwe kandidaat zich melden. Hij wordt onderworpen aan een streng verhoor, waarop dit voorgeborchte toch wel sprekende gelijkenis vertoont met een azc. We vernemen dat ‘de hemel’ inderdaad vol is: er kan niemand meer bij en de kandidaat moet wachten. Als hij vraag hoe lang, lokt dat een collectieve lachstuip uit van het hele ensemble.
Dit café functioneert kennelijk als wachtkamer. Wachten en verwachting zijn de hoofdthema’s. Er ontbreekt een lineair narratief, want dat zou in dit geval geen enkele zin hebben: de voorstelling confronteert ons met een aantal reflecties, posities en keuzes. Het is in die zin ook te beschouwen als een metafoor voor het leven zelf: een verblijf in een wachtkamer tussen geboorte en dood.
Maar er lijken te veel losse invallen verwerkt te zijn, te veel zijlijnen die uitgezet worden, en alle verschillende ingrediënten samen willen maar niet die rijk gevulde soep worden die tijdens de (te) lange voorstelling staat te koken en waarop het publiek na afloop getrakteerd wordt.
Beeld: Rosa Quist











