De vier grandioze ‘trommelaars’ van Percossa schieten met Bommetje! een orkaan aan decibellen de zaal in waar je ademloos naar zit te luisteren. En naar zit te kijken, want die vier gasten zijn ook fysiek op een geweldige manier knettergek.

Het begint eigenlijk nog heel ingetogen: het viertal marcheert het podium op als het afgescheiden deel van de dorpsharmonie, in kledij die ze uit de kist met restanten van de Britse Guards bij Buckingham Palace en Sgt. Pepper outfits van The Beatles hebben opgevist. Aan het eind van zeven kwartier muzikale krachtsport, marcheren ze weer keurig in het gelid, trommelend en zingend (‘Auf wiederseh’n mein Liebling’) in hun openingskostuum de coulissen in. Daar tussenin is het bij Percossa een aaneenschakeling van nauwgezette, perfect uitgevoerde, muzikale, humoristische chaos.

Eind jaren 80 trokken vier percussieliefhebbers, die elkaar kenden van een slagwerkklas aan het Conservatorium van Den Haag, als straatartiesten naar Zuid-Frankrijk. Tien jaar later verruilden ze de straat voor het theater, waar Percossa uitgroeide tot de mondiale slagwerktop, waar we ook de Amerikaanse groepen Stomp en The Blue Man Group en het van oorsprong Israëlische gezelschap Mayumana aantreffen. En laten we Slagerij van Kampen ook niet vergeten.

Van de oorspronkelijke samenstelling is alleen Janwillem van der Poll nog over, terwijl oudgediende René Spierings naar de artistieke leiding is doorgeschoven. Eric Robillard zit inmiddels ook al bijna twintig jaar bij de groep. Hij maakt zo nu en dan kleine grapjes over zijn leeftijd als het er zogenaamd even al te fysiek aan toe gaat. Hij is ook degene die een paar keer subtiel contact zoekt met het publiek. In een act waarbij een verjaardag wordt gevierd (en de jarigen een voor een dood neervallen) vult het publiek na ‘Hiep, hiep, hiep’ als makke schapen ‘hoera’ aan. Robillard kijkt smalend de zaal in en mompelt: ‘Simpel.’

In wezen gebeurt er in Bommetje! maar één ding: vier mannen die ritmisch geluid weten te produceren met behulp van stokken, bezems, Afrikaanse piano, hun eigen lichaam, vibrafoon, zweep, het klassieke drumstel en nóg een verzameling attributen en snaarinstrumenten. Ze weten zelfs met de dunne straaltjes as uit een urn nog een ritmisch spel te maken.

De verscheidenheid aan invalshoeken is zo groot, de humor is zo verfijnd (daarin herkennen we Karel de Rooij, de mentor van de groep), het ritmegevoel is ongekend, de timing is verbluffend en het spelplezier spat er aan alle kanten vanaf. Vier radertjes in een Zwitsers uurwerk.

Soms lijkt het alsof die gasten door de duivel bezeten zijn, het woest wapperende lange haar van Frans Kemna (sodeju, wat een tapdanser is hij ook nog) versterkt dat beeld. Zeker als ze aan het slot alle vier een eigen drumstel hebben, en ze helemaal los kunnen gaan, volgt een hypnotiserende geluidsorgie. Zo hard, zo snel, met zoveel verschillende ritmes door elkaar. Maar geen moment verliezen ze de controle en smelten al die ritmes, alsof het computergestuurd is, tot één harmonisch geheel bij elkaar. Mede dankzij regisseur Pim Veulings, is dat puur genot.

Foto: Boy Hazes