In ‘Canticum Canticorum’ van Muziektheater Transparant zijn het overweldigende aanbod en de veelheid aan theatrale en muzikale middelen té imposant ***
Een concertzaal is geen theater en biedt andere mogelijkheden en beperkingen. Maar de manier waarop dit nieuwe muziektheaterwerk vormgegeven is in het Amsterdamse Muziekgebouw, doet geen recht aan de fraaie partituur en de trefzekere interpretatie op topniveau van het Nederlands Kamerkoor onder de bezielde (en vocale!) leiding van de Chinees-Amerikaanse componist en dirigent Huang Ruo.
Deze opera probeert de ruimte (of het moment) te verklanken tussen dood en nieuwe geboorte, de liminale toestand die terugkomt in veel religieuze of spirituele rituelen. De componist heeft op een boeddhistische tekst een weefsel gecreëerd van lijnen en motieven die hij op elkaar stapelt. Dat is op momenten van adembenemende schoonheid.

Het koor zingt bijna het hele stuk senza vibrato, maar slaagt erin dat nergens ten koste te laten gaan van de beoogde eufonie. Ruo is een meester in het opbouwen vanuit kleine melodische cellen naar volle consonante akkoorden, en hanteert daarbij heel doelbewust grote contrasten in dynamiek. Daardoor is het muzikale idioom heel toegankelijk, terwijl het tegelijkertijd beslist een heel eigen karakter heeft.
Hier is sprake van een zeldzaam voorbeeld van een heuse kooropera. Er zijn geen solisten, alleen het 16-koppige koor. Twee zeer werkzame slagwerkers voorzien de koorklank op specifieke momenten van een extra kleur, die wonderwel geïntegreerd is in het totale klankidioom. Je zou haast kunnen spreken van zingend slagwerk.
Er zijn zes delen (of scènes), met elk een eigen karakter. Om alleen het vierde deel eruit te lichten als voorbeeld: hier overheersen de vrouwenstemmen en vormen zij een hemels koor dat rondzingt alsof de klank uit een transcendentale eeuwigheid komt, mystiek, lichaamloos, totdat tegen het eind de mannenstemmen ons eraan herinneren dat we wel degelijk ook met beide benen op de grond staan.

In de regie (Aïda Gabriëls en Tido Visser) van dit deel blijven de zangers verborgen achter verrijdbare projectieschermen die in de voorgaande delen ijverig verplaatst werden door performer Grace Ellen Barkey. Af en toe voegt zijzelf ook dansante elementen toe. Deze projecties, de daarmee samenhangende belichting en de dans, bieden helaas geen verrijking van de muzikale ervaring. Eerder het tegendeel: ze leiden eigenlijk vooral af van het Kamerkoor dat de dankbare partituur zo overtuigend uitvoert.
Als de performer dan ook nog de zangers gaat verplaatsen terwijl ze nog bezig zijn hun zeer lastige partijen te zingen en daarbij vanaf hun tablets de muziek lopend moeten blijven volgen, komt het allemaal wel heel onbeholpen over. Het strookt ook niet met het muzikale idioom en al helemaal niet met de degelijke en geïnspireerde uitvoering van het stuk.
De spaarzame ruimtelijke configuraties die het koor op een paar momenten op het podium moet vormen, voelen eveneens ongemotiveerd aan. En als de componist-dirigent in het slotdeel zelf overtuigend meezingt, staat de performer aan de andere kant van het podium iets te doen dat eerder weg heeft van een parodie op de dirigent dan dat er sprake is van een bijdrage met zijn eigen zeggingskracht.

Ook de korte interviews met onder meer een arts, een jongetje en een verpleegster over hun spirituele verhouding tot dood en leven vormen geen organisch onderdeel van het geheel. Van meet af aan, als het publiek de zaal betreedt, wordt er op het podium een gesprek gevoerd, maar of dit voor het publiek bestemd is, of het gaat om een vraaggesprek of om een gespeelde scène: het doet allemaal nogal gratuit aan.
Gelukkig is muzikaal gezien een bezoek aan deze voorstelling meer dan waard: misschien is deze opera de verklanking van de lyriek van de 21e eeuw die zich in onvermoede combinaties uitstrekt over tijden, talen en culturen.
Foto’s: Ben van Duin













Mooie bespreking!
Qua regie zijn we het helemaal eens: https://theaderks.wordpress.com/2025/05/23/huang-ruo-grief-not-quite-palpable-in-between-two-lights/