Bij binnenkomst ontmoeten zes dansers ons op de vlakke vloer van Theater Bellevue in Amsterdam, zittend of staand rondom een oud en verfomfaaid bankje dat uit welk park en dorp dan ook gehaald had kunnen worden. Ze hangen wat rond het bankje heen. Terloops groeten ze de toeschouwers die op de stallen aan wederzijdse kanten van het podium gaan zitten. De rest van het publiek, waaronder een sterke mengelmoes van mensen uit de (inter)nationale en randstedelijke dans-scene, zit op de gebruikelijke rode fauteuils om in het kader van Julidans bijna tien jaar onderzoek naar skipping (huppelen) van Andreas Hannes te vieren. 

Anthology laat zien dat huppelen veel meer is dan een speelse beweging, en is de laatste uitkomst van een fascinatie die Hannes al sinds zijn afstuderen voor de SNDO in 2018 bezighoudt. Dit kleine, maar antropologisch rijk beladen motief staat centraal of is aanwezig in meerdere van zijn stukken, zoals in Tremble (2019), Warping Souls (2020) en de interventie met jongeren uit Maastricht tijdens De Nederlandse Dansdagen and the city was a dream on the pulse of your feet (2022).

Wat al deze stukken aan elkaar verbindt, naast het springen natuurlijk, is een bepaalde zoektocht naar licht en luchtigheid in een wereld die deze steeds minder toelaat. Hoe voel je die zelf, en hoe maak je haar voelbaar voor anderen? In Anthology huist die lichtheid in het huppel-effect, in de totale en allesverterende overgave van de dansers, en in de schaamteloze pop-allure van de muziek: we wanen ons in een slaapkamer van een gedeeld ouderlijk huis waar we allemaal op de meest bekende en foute nummers mogen lallen, schallen en genieten. 

Het programmaboekje liegt in die zin niet: dit is een muzikale en choreografische mash-up. De soundscore lijkt samengesteld uit van het internet geplukte mash-ups van zowat alle denkbare pophits uit het afgelopen decennium. Daarop staat de choreografische huppel-mash-up als een huis. In verschillende groepcombinaties, met een spel waar ook ruimte wordt gezocht voor stilte en op-adem-komen (ze hebben klaarblijkelijk de vrijheid om er soms even uit te stappen als het niet meer gaat), houden de zes dansers het gehuppel vol.

Ongenadig en met volle overgave voelt het bijna als een exorcisme waarbij ze de wereld van zich af springen. Huppelen wordt gevierd als basisbehoefte, als iets wat van alle tijden is, en aanwezig in alle stijlen. Het plezier van die eerste kinderlijke sprong in de lucht wordt in deze krankzinnige zoektocht naar alle mogelijke variaties binnen een dynamisch thema vergroot tot een soort van ultieme vorm van in-leven-zijn, waarin we de dansers zich tot uitputting zien verliezen in de sprong, de draaikolk, de spiraal.

Afgezien van enkele waterflessen op de vloer is het podium verder helemaal leeg. De sporty vibe wordt verder ondersteund door de kostuums van de zes performers, ontworpen door kunstenaar Publik Universal Frxnd: training shoes, felgekleurde leggings, en een soort collage van stukken trainingsbroek, lappen met schotse motieven en andere stukken textiel die zich als gedeconstrueerde korte rokken om de heupen van de dansers wikkelen. Het geheel ademt een soort ‘queer esthetiek van het precaire’ uit, waarin het onaffe en het fluïde dat zich al lang buiten het binaire hokjesdenken waant centraal staat. De diversiteit binnen de cast – het zou al niet eens noemenswaardig moeten zijn, but here we are – is ook al een statement op zich in deze intersectionele richting. 

Gedurende de hele voorstelling dient een tl-buis die naast het bankje op ooghoogte hangt als een soort belichte en gekleurde houvast voor de toeschouwer. Het geeft structuur, verandert de sfeer en ordent de ruimte. De dramaturgie, hier getekend door Renée Copraij, Bruno Listopad en Fernando Belfiore, doet denken aan andere stukken van Hannes, zoals zijn solo Sway (2023), waar ook sprake was van dit soort niet-verhalende ankers die aan de buitenkant van de centrale actie voldoende houvast bieden om verder gewoon te kunnen genieten van het moment. Andere voorbeelden in Anthology: het overdreven nadoen van de lyrics vanaf de zijlijn, of het klein en aanmoedigend meebewegen in de achtergrond, vanaf het bankje. Meer heb je eigenlijk niet nodig. 

Het deed me denken aan andere, soortgelijke en net-zo-overrompelende ervaringen die ik in de laatste vijftien jaar heb mogen beleven op het toneel. Er huist blijkbaar een koppige wens bij veel choreografen om dans in te zetten als verzet tegen dominante narratieven, of om het rituele potentieel van herhaling terug te halen om zo te ontsnappen aan de eisen van onze productieve cultuur. Het nutteloos blijven herhalen van een sprong is radicaal inefficiënt, en juist daarom voelt het in het huidige maatschappelijke klimaat bijna aantrekkelijk middeleeuws. Ik denk aan Jan Martens met The Dog Days are Over, aan 10.000 gestures van Boris Charmatz, of aan Folk(s) – will you still love me tomorrow van Alessandro Sciarroni. Maar de lijst is langer. We blijven maar draaien, springen, samen het extreme opzoeken om niets. Om in dat niets hopelijk het ultieme mogelijk te maken: een uitweg vinden, een punt te midden van de ware gekte van deze wereld van waaruit we met een glimlach even kunnen zeggen ‘Stop. Nee’. 

Dit gevoel wordt in Anthology het beste waargemaakt door de Franse danser Andréa Givanovitch. Alle dansers gaven alles wat ze hadden, maar zijn bereidheid zichzelf tot het uiterste te geven was ongeëvenaard. Met hem als beste voorbeeld, maakten de dansers de link compleet tussen de huppel als doodgewone actie, als onderdeel van verschillende dansstijlen en als existentieel statement over hoe we telkens weer vergeten wat het is om te leven in het moment. Zonder vangnet, zonder schaamte, alsof alles ervan afhangt. Ik was jaloers, ik kon mijn ogen niet van hem afhouden, ik huppelde mee, ik schreeuwde het uit. Het was een feest.  

Foto’s: Amanda Harput