Al is het dagboek van Anne Frank wereldwijd een van de meest verkochte boeken, het blijft een intiem kleinood. Over opsluiting en angst gaat het, over ontluikende seksualiteit, over dromen van een naoorlogs leven. En over de idealen van een toekomstig schrijverschap. Maar begrippen als ‘toekomst’ en ‘naoorlogs’ zijn voor Anne Frank niet weggelegd. In maart 1945, kort voor de bevrijding, stierf ze aan tyfus en uitputting in het vernietigingskamp Bergen-Belsen.

In hevig contrast tot het dagboek staat de imposante, overweldigend uitgevoerde theatervoorstelling Anne, geschreven door het auteursechtpaar Jessica Durlacher en Leon de Winter en geproduceerd door nagenoeg dezelfde makers als de musical Soldaat van Oranje. De visuele overeenkomsten zijn dan ook navenant: beweeglijke toneelbeelden, overdadig opgezette decorstukken, veel dieptewerking en veelzeggend historisch beeldmateriaal. Maar Soldaat van Oranje is een heldensage en mag imponeren.

Regisseur Theu Boermans en decorontwerper Bernhard Hammer willen ook nu ontzag inboezemen, maar dat is geenszins noodzakelijk. Niet voor niets werd in de belangrijkste besprekingen, verschenen na de première op donderdag 8 mei in Theater Amsterdam, één scène geroemd, en terecht. Aan het slot, als de onderduikers na een nogal jongensboekachtig gespeelde inval door de SS’ers worden afgevoerd, komt Paul R. Kooij op als vader Otto Frank, sober gekostumeerd, slechts een grijs achterdoek als decor. Hij is de enige overlevende. Op indrukwekkende wijze, wars van enige opsmuk, geeft hij de naakte feiten weer. Hoe de trein vanaf het Centraal Station in Amsterdam de onderduikers naar doorgangskamp Westerbork bracht. Dat ze vanuit de trein voor het eerst weilanden zagen. Hoe vanuit Westerbork de laatste trein oostwaarts hen naar de kampen in Duitsland bracht. Hoe hij zijn vrouw kwijtraakte. Dat Anne net iets langer leefde dan haar zuster Margot. De weilanden, die laatste trein van 4 september 1944 en dat Anne stierf na haar zuster zijn details, zo aangrijpend, dat ze veel goedmaken. Maar lang niet alles.

De voorstelling opent, heel verrassend, met een naoorlogse scène in Parijs waar Anne een uitgever ontmoet die haar dagboek zou willen publiceren. Die uitgever blijkt haar grote liefde Peter, nog vanuit de oorlog. Deze entree fungeert als raamvertelling: Anne vertelt aan de uitgever haar dagboekachtige verhaal dat ze Het Achterhuis noemt. Het is een tactische keuze om Anne zo te construeren: het refereert aan haar schrijversdroom en het zorgt voor een herkenbare setting.

Vervolgens gaan we terug in de tijd en schuift de gevel te voorschijn van het woonhuis aan het Merwedeplein, waar de familie Frank woont. Anne viert haar dertiende verjaardag. Van haar vader krijgt ze het dagboek dat haar, uiteindelijk, ruim twee oorlogsjaren troost biedt. Minutieus creëert decorbouwer Hammer een bakstenen gevelwand die ook nog eens spectaculair openschuift en het interieur toont. Aan weerskanten van het decor tonen historische beelden de nietsontziende jodenachtervolging.

Verschanst in het huis aan de Prinsengracht hoopt de familie veilig de oorlog door te komen. Zo realistisch als een filmdecor is het onderduikadres nagebouwd, het kan ook nog eens ronddraaien, zodat elke hoek wordt getoond. Al die verdiepingen, het interieur, de schemerlampjes, de bedden. Het is er allemaal, bovendien perfect geïmiteerd. Wat niet klopt, is de dode kastanjeboom. In haar dagboek beschrijft Anne vol lyriek en ook vervuld van verliefdheid op haar mede-onderduiker Peter over de bloei van de boom. Dat die dood is, is extreem en overbodig symbolisch. En ik miste juist die mooie scène die Anne aan de levende boom wijdt.

Auteurs en regie hebben gekozen voor de enscenering van juist die passages uit het dagboek die zich concentreren op het gesteggel en de wederzijdse irritaties tussen de onderduikers. Dat is lang niet altijd boeiend en behoorlijk langdradig. Op den duur krijgt het decor, ondanks die grootse presentatie, iets van een opgetuigd poppenhuis waarin de spelers te klein zijn, te ver weg en zonder focus. De mooiste en veelzeggendste scènes zijn die tussen Rosa da Silva als Anne en Paul R. Kooij als de vader. Kooij is uitstekend in een rijke rol van zorgzaamheid en het telkens opnieuw proberen de angst weg te nemen bij zijn dochter. Rosa da Silva als Anne toont de energie en de jongemeisjesachtige koppigheid die bij haar rol past. Het sterkst zijn de momenten – helaas te kort – waarin ze de passages uit het dagboek voorleest. Dan krijgt de spanning tussen dat geheime, claustrofobische leven in het achterhuis en de jagende vrijheidsdrang, gecombineerd met een prille maar allesbeheersende verliefdheid, een trefzekere vorm.

Alles is overvol gemaakt in deze Anne, alsof ogenblikken van rust en subtiele innigheid verboden zijn. Aan het slot is de symboliek zelfs behoorlijk kitsch en nogal pijnlijk om aan te zien. Vader Otto Frank heeft secuur zijn terugblik uitgesproken. En in een bevroren beeld, compleet met sneeuw, zien we de slachtoffers verspreid en eenzaam in een leeg veld staan. Anne loopt weg over een spoorlijn, af en toe achterom kijkend. Het zou een scène kunnen zijn die het overwegend jonge publiek, in groten getale aanwezig, aanspreekt en misschien is de voorstelling ook wel in eerste instantie voor hen bedoeld, maar de symboliek ervan grenst aan iets van onmacht: alsof woorden niet voldoende zijn.

Om nog een keer terug te komen op de magie van soberheid, zoals Kooij die vertolkt en ook Da Silva als ze zich op haar dagboek concentreert: op 4 mei werd in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag Het onderzoek (Die Ermittlung)  van Peter Weiss opgevoerd, een documentaire tekst over het raderwerk van de vernietigingskampen. Die tekst werd, zoals de traditie van het stuk voorschrijft, op geen enkele wijze geënsceneerd, slechts voorgelezen door de acteurs op gedistantieerde wijze. Dat was een en al beklemming. Ik begrijp dat de makers van Anne met deze enscenering een groot, jong en mogelijk nieuw theaterpubliek willen aanspreken. Maar de combinatie van overdadige symboliek en durend geschuif en gedraai met panelen en decorstukken verhindert in veel opzichten de invoelbaarheid van het drama.

Foto: Kurt Van der Elst