De voormalige vuilstortplaats op Terschelling, de Nollekes, is in 1990 gesloten. Er is een enorme lading zand en aarde overheen gelegd, waardoor een berg is ontstaan. Tegen die berg creëert Maas theater en dans een reusachtige gletsjer van afval, een berghelling volgestort met een verbijsterende hoeveelheid koelkasten, wasmachines, matrassen, plastic kratten, een keyboard, vuilniszakken met onbestemde inhoud, kleren, afgedankt kinderspeelgoed, ja, wat niet al? (meer…)
De dansopera An(I’m)a beschrijft de crisis van een naamloos individu dat zich stapsgewijs openstelt voor meer vrouwelijke innerlijke kracht. De verschillende stadia zien we terug in de verschillende uitdossingen die de performer draagt: een blauwe robe, gevolgd door een strak pakje in een soort Escher-print, een roodbont pluizig vest met extra lange mouwen en uiteindelijk een slip waarover een gewaad met tekstopdruk gedragen wordt. Tegen het eind hult de speler zich ook nog in een enorme blauwe lap zwaar textiel.
De performer, Lester David, wordt daarbij regelmatig op band toegesproken door een identiteit die zich later bekendmaakt als de Anima, de ziel. Hiermee wordt letterlijk verwezen naar een theorie van Carl Jung, die ieder individu zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen toeschrijft. Door de inrichting van de maatschappij worden bepaalde eigenschappen wel gestimuleerd, waar andere juist onderdrukt worden, zoals het vrouwelijke (Anima) bij de mannen en het mannelijke (Animus) bij de vrouwen. Deze voorstelling rond Anima is dan ook het eerste deel van een tweeluik, het gezelschap rondom de choreograaf Cecilia Moisio brengt volgend jaar de mannelijke pendant uit.
Nu zien we David omringd door kring van lichtgevende staven die allerlei kleuren en vormen kunnen aannemen. Hij lijkt in een kooi te zitten, of wordt hij omringd door een palissade die hem juist beschermt? De performer bevindt zich aan het begin in een liminale toestand, een transitie tussen twee polen in. In een reeks rituele scènes probeert hij zich vervolgens mentaal te openen om zijn Anima toe te laten. Hij voert daartoe een aantal dansen uit, die uit innerlijke impulsen lijken voort te komen en die tot een ietwat onbestemd soort vorm leiden. Ze worden afgewisseld met energieke mise-en-scènes, waarbij hij bijvoorbeeld snel op- en afloopt, en gedecideerde acties zoals het rondstrooien van een knuffel uit een aluminium flightcase of een dansje met twee reuzebananen.
Het universum waarin hij zich beweegt, is nauwkeurig uitgewerkt: de lichtstaven volgen een gedetailleerde partituur en worden doorlopend ingeschakeld. Rechts achter op het toneel staat de flightcase die ook functioneert als een doos van Pandora waaruit bij opening angstig gegil klinkt. Buiten de kostuums hanteert de performer opvallende objecten, zoals verschillende in rood gebonden boeken en de grote kunstbananen. Tegen het eind creëert hij het beeld van een magere Hein, inclusief zeis, als een memento mori omdat dat het absolute perspectief is waartegen elk menselijk handelen afgezet moet worden.
Een zeer aanwezig soudscape vult het scala aan vormgevingsmiddelen aan. David completeert die live en zingt afwisselend met en zonder gebruik van falset Engelse teksten. De stem van de Anima geeft af en toe toelichting, waardoor het bij tijd en wijle ook een soort artistieke TED-lezing lijkt, die het publiek op de hoogte brengt van de denkbeelden van Jung in deze materie. Daardoor blijft het in het midden of de voorstelling een illustratie laat zien van iemand die zich in het voetspoor van Jung openstelt voor Anima, of dat het hier vooral gaat om een manifest, een oproep aan iedereen om zich te openen en het proces aan te gaan om innerlijk evenwicht te bereiken.
Het onderwerp van de voorstelling is heel specifiek en wordt ook heel expliciet opgevoerd, maar dat is misschien ook een zwakte: de vorm slaagt er eigenlijk niet in de inhoud te overstijgen en daardoor blijft de werking beperkt.













