Soms heb je zin om je schoenen weg te smijten, even heel hard op je jas te springen, de kussens van de bank te halen en de woonkamer te verbouwen. Gewoon even al je frustratie eruit gooien: thuis mag dat. Omdat je op school altijd maar normaal moet doen, terwijl je de hele tijd voelt dat je dat niet bent.

Zeno – stuurs, bozig en vreselijk lief – is vastbesloten niet meer naar school te gaan, nadat hij een klasgenootje een bloedneus heeft geslagen. Zijn vaders doen aanvankelijk een beroep op zijn redelijkheid (‘zo gaan we toch niet met elkaar om?’), maar zien al snel in dat ze daarmee geen stap verder komen. Soms is opvoeden: duidelijke kaders stellen. Maar soms is opvoeden: de regels laten vieren, en je verplaatsen in je kind. Wat opvoeden altijd is: elkaar heel stevig vasthouden.

Voor een kind is het nooit leuk om te horen dat je niet normaal bent. Maar nóg erger, nog pijnlijker, is het als iemand zegt dat je ouders – van wie je het meest en het meest onvoorwaardelijk houdt – niet normaal zijn. Dus als Zeno’s klasgenootje hem toebijt ‘ga je moeder pesten’ wordt het wit voor zijn ogen.

Alleen maar lieve jongens gaat over wat dat eigenlijk betekent: normaal zijn. Het cliché dat iederéén anders is, en daarmee dus normaal, wordt in de intelligente en sensitieve toneeltekst van Casper Vandeputte gelukkig al snel ontmanteld: dat kan wel zijn, maar er zijn toch echt verschillen tussen Zeno’s ouders en die van de meeste klasgenoten. Als iemand die zelf deels door twee vrouwen is opgevoed, weet ik dat je dat als kind feilloos aanvoelt. Dat je je daar helemaal oké bij kan voelen en tegelijkertijd soms hoopt dat het niet ter sprake komt, en je dáár dan weer schuldig over voelt. Het ligt complex.

Die complexiteit komt in Alleen maar lieve jongens helemaal uit de verf, in een voorstelling die boven alles speels, optimistisch en ongelofelijk liefdevol is. Net als Vandeputte durft regisseur Loek de Bakker ruimte voor gevoeligheid en emotionaliteit in te bouwen, zonder aan lichtheid in te boeten.

Alleen maar lieve jongens doet niet alleen een beroep op Zeno, die moet leren dat hij niet tot fysiek geweld moet overgaan, maar zéker ook op de ouders. Zijn vaders moeten uit hun comfort zone komen, zich verzoenen met hun eigen schaamte en hun anders zijn niet ridiculiseren. Je kan van een kind namelijk niet verwachten dat hij de schaamte of onzekerheid van zijn ouders, hoe goed verhuld ook, niet aanvoelt en zelf ook internaliseert.

Zo ontpopt Alleen maar lieve jongens zich als een genereuze, gelijkwaardige zoektocht van kind en ouders naar wat het betekent om anders te zijn (een vraag die elk kind natuurlijk herkent, wat deze voorstelling zowel een grote specificiteit als universaliteit geeft). Die zoektocht vraagt offers, kwetsbaarheid en betrokkenheid, en betaalt zich uit in gloedvolle nachten bij het kampvuur (en nog steeds een kop vol vragen).

Denzel Goudmijn en Coen Bril geven prachtig gestalte aan de zorgzame vaders, die hun zoon, zichzelf en elkaar liefdevol uit de tent lokken. Dat vinden ze in mooi gedetailleerd spel, waarin kleine knikjes, een hoofd op een schouder of een steelse blik achterom, werelden van liefde verraden.

Piet Kooij dendert daar prachtig hoekig en vooral snakkend naar liefde doorheen. Zelden zag ik een acteur zo groot en smeuïg spelen, en tegelijkertijd zoveel onderliggende pijn en onzekerheid blootleggen. Met zijn balsturige spel schiet hij door alle hoeken van de woonkamer, hij reageert alert met kleine grapjes en knipoogjes naar de toeschouwers in de zaal (die hem opvreten) en landt uiteindelijk in een hartverscheurende scène waarin hij zijn ouders confronteert met de pijnlijke kern: ‘Ik wil normaal zijn voor jullie. Omdat jullie normaal willen zijn. Maar ik ben niet normaal. En jullie ook niet.’

Foto’s: Bas de Brouwer