In eerste instantie had ik mezelf mentaal niet voorbereid om op een maandagavond om half acht omringd te zijn door zwetende, springende lichamen. In AJJIT gooien performance-artiest Khadija El Kharraz Alami en Cheb Runner (Reda Senhaji) het hele idee van theater om. Het voelde als een crossover tussen een meditatie en een rave in een nachtclub. Er is geen vast script, geen stoelen; scènes worden fluïde en het ‘publiek’ deelt de verantwoordelijkheid om een ritueel te maken, samen met de ‘performers’. Om AJJIT echt te begrijpen, moest ik als recensent alls loslaten en me overgeven aan het ritueel.

Bij binnenkomst is er veel rook in een gedimde zaal. Het podium is in een T-vorm geconstrueerd; El Kharraz Alami staat aan de voorkant van het podium. ‘Come closer, come closer’, instrueert zij het publiek dat langzaam de zaal binnenstroomt. Cheb Runner staat met zijn synthesizer aan de linkerkant van het podium, terwijl hij een zachte soundscape op de achtergrond produceert. Er is geen tribune. Behalve voor de mensen die slecht ter been zijn, staat iedereen in de ruimte. Vanaf het begin wordt het duidelijk dat AJJIT geen reguliere theatervoorstelling zal zijn, maar eerder een ritueel dat actieve publieke participatie vereist.

Hoe kunnen we de weg terugvinden naar ons pre-kapitalistisch lichaam? Dit is de vraag waarmee El Kharraz Alami AJJIT begint. ‘Als Nederlanders dragen wij allemaal een beetje VOC in ons’, zegt ze confronterend, om ook aan te geven dat Nederland een van de vroegste vormen van kapitalisme heeft gevormd. Ik merk dat het gebruik van jargon zoals ‘pre-kapitalistisch lichaam’ het wel uitdagender maakt om me over te geven, vooral omdat de voorstelling hier ook direct mee begint. Maar als El Kharraz Alami het publiek uitnodigt om mee te bewegen, en Cheb Runner hypnotische klanken begint te produceren; golvend van rustige tonen naar een steeds hoger tempo, schakel ik het analytische deel van mijn brein even uit.

‘Laat alles los, let go, Ajjit.’ El Kharraz Alami beweegt zelf mee, terwijl ze ook het ritueel faciliteert; ze schakelt tussen het Nederlands, Engels en Arabisch. AJJIT betekent in het Tashelhiyt, een Amazigh-dialect uit het zuidwesten van Marokko, ‘loslaten’. Hoe vaker ik bewegingen herhaal, hoe dieper het gevoel van trance wordt. Een groot deel van het publiek beweegt mee, en het is bijzonder om te beleven hoe de muren van mensen langzaam afbrokkelen, terwijl ze steeds meer en meer loslaten.

De muzikale productie van Cheb Runner functioneert hierbij als een voertuig om het publiek tot de staat van trance te bewegen. Op het eerste gezicht voelt het als dansen op technomuziek in een nachtclub, maar onder de elektronische beats zijn sporen van percussie en basklanken te horen, geïnspireerd door Marokkaanse tradities zoals Gnawa.

In Gnawa-tradities worden ceremonies begeleid door een Maallem, die ritmes creëert om mensen te dragen naar een staat van trance. Dit gebeurt gedurende Lila (nacht in het Arabisch). Het in trance raken heeft gedurende de ceremonie een helende werking. Jnoun, geesten of bovennatuurlijke krachten, worden uitgenodigd; deze entiteiten kunnen emotionele verstoringen reflecteren. De ceremonie, het bewegen en loslaten is daarom ook een manier van verzoening, leren te dansen met hetgeen onze rust verstoort.

Een groot deel van de voorstelling voelt scriptloos aan en bestaat uit bewegen. De momenten van monologen helpen wel om AJJIT meer te laten ademen, en de emoties te laten landen in het lichaam. Tijdens een van de scènes zit El Kharraz Alami op de rand van het podium. De zaal wordt donker. Terwijl ze een gloeilamp vasthoudt in één hand, leest ze een lijst met namen langzaam voor. Het is duidelijk dat de namen van mensen waren die vermoord zijn als gevolg van de lopende genocide in Palestina. Vervolgens draagt ze het gedicht ‘If I must die’ van de vermoorde Palestijnse schrijver en dichter Refaat Alareer voor. De overschakeling van ‘wild’ bewegen naar deze scène voelt in eerste instantie abrupt aan, maar staat tegelijkertijd ook symbool voor de Jnoun, die in de vorm van rouw blijven etteren in ons lichaam en onze geest. Vervolgens worden we ook uitgenodigd om de rouw te uiten en los te laten via ons lichaam.

Ik merk dat ik gedurende AJJIT soms wel naar een narratief of een directere link met de Marokkaanse Gnawa-traditie zoek en de historische klanken, maar dit is meer uit mijn eigen nieuwsgierigheid. En omdat ik in de ritmes en het ritueel patronen herkende uit mijn eigen ervaring met de Afro-Surinaamse Winti en Javaans-Surinaamse Jaran Kepang, waarbij de staat van trance ook als een vorm van heling, collectief samenzijn en verzet dient.

Zonder een beetje research te doen of de websitetekst te lezen, verschuift de inspiratie van de Gnawa-traditie naar de achtergrond in de voorstelling. Achteraf vroeg ik me wel af wat de grens is tussen innovatie en uitwissing van traditie. Hoe zou dit ritueel aankomen bij een volledig Marokkaans publiek? Tegelijkertijd snap ik het dilemma ook: vaak wanneer culturele tradities in de rauwste vorm worden verplaatst vanuit de plek van origine naar een Westerse context, worden zij ook als ‘exotisch’ gekarakteriseerd.

Wat wel overduidelijk zichtbaar is in AJJIT, is dat het een ritueel is dat de knobbels in het lichaam en de geest opzoekt; het eist confrontatie en momenten van schuren. Het beweegt van grote, complexe thema’s zoals rouwen om een langdurige genocide en de klimaatcrisis naar kleinere thema’s zoals een gebroken hart. Hoewel het soms abrupt en oncomfortabel aanvoelde om te schakelen tussen die werelden, was het een catharsis om dit als collectief te beleven: voor even als één organisme te ademen, het uit te schreeuwen en los te laten.

Foto’s: Studio Pramudiya