De theaters blijven tot 20 april gesloten voor publiek. Het kabinet maakte gisteren in een persconferentie bekend vast te houden aan de huidige lockdown. In april starten wel de eerste proeven met sneltesten in de cultuursector. (meer…)
Huiselijk geweld behandelen via poppentheater levert een uitgelezen mogelijkheid om situaties te ensceneren die met acteurs van vlees en bloed moeilijk tot onmogelijk zouden zijn. De verhalen van Achter gesloten deuren zijn gebaseerd op verhalen zoals verteld door betrokkenen, zowel de slachtoffers en de daders als getuigen ervan, zoals kinderen.
De performers schakelen daarbij tussen poppenspelers, toneelspelers en vertellers, die regelmatig direct contact leggen met het publiek en bepaalde elementen toelichten, mechanismes benoemen en context geven. In de regie van Cat Smits bespelen drie performers afwisselend de twee misbruikte poppen en spelen daarnaast de verschillende rollen: twee vrouwen (naast Smits zelf: Urmie Plein) die in een relatie zitten met een gewelddadige partner en een jongetje (Alexander Brouwer) dat opgroeit in een gezin waar hij moet toezien hoe zijn moeder regelmatig door haar man afgetuigd wordt.
Het verhaal wordt verteld in stadia, want elk voorbeeld van huiselijk geweld dat hier onder de loep wordt genomen, begint met een onbeduidend voorval. Dat voorval wordt aanvankelijk afgedaan als een incident, maar achteraf blijkt dat echter de voorbode te zijn van een leven dat beheerst wordt door het immer dreigende geweld. De hele voorstelling kijkt dus terug vanaf het begin tot en met het moment vele jaren later, dat de slachtoffers erin slagen uit de vicieuze cirkel te breken.

De dader wordt altijd verbeeld door dezelfde geabstraheerde pop, die daardoor geen gezicht krijgt: hij wordt gereduceerd tot alleen zijn destructieve spierkracht en die kan elke gedaante aannemen. Een kleinere, geheel gearticuleerde pop verbeeldt een van de vrouwelijke slachtoffers: de moeder van het jongetje dat steeds moet toezien hoe zij mishandeld wordt.
In de enige scène waarin het fysieke geweld zelf in beeld wordt gebracht, (be)speelt Smits zelf onnavolgbaar zowel de dader als het slachtoffer. De opbouw naar deze centrale scène verloopt niet helemaal organisch waardoor de scène niet het effect sorteert dat het in potentie heeft, maar dat zal zeker verbeteren naarmate de voorstelling ingespeeld raakt.
De overgangen tussen de gespeelde situaties en de gesproken getuigenissen, toelichtingen en uitwijdingen zijn niet altijd even dwingend: het een komt niet voort uit het ander. De noodzaak om ergens bij stil te staan of om uit te wijden komt niet uit de voorafgaande scène voort; omgekeerd is een scène vaak niet de consequentie, het resultaat of desnoods het tegenovergestelde van wat daarvoor verteld is.

De voorstelling lijkt daardoor te hinken op verschillende principes: aan de ene kant wil ze informatie verstrekken over het verschijnsel huiselijk geweld, tot en met statistieken over de frequentie waarmee het verschijnsel zich voordoet. Aan de andere kant wil het de impact op de levens van de slachtoffers en hun omgeving voelbaar maken.
De afwisseling tussen deze beide manieren van het aanspreken van het publiek, het verschil tussen beleren naast beleven, ontneemt je de kans om helemaal mee te gaan in de gespeelde scènes. In het nagesprek, dat integraal onderdeel van de voorstelling vormt, krijg je dan wel de kans om het verschijnsel verder te overdenken en daarover van gedachten te wisselen.
Zo blijft de beleving van de speelscènes, waar de kwaliteiten van het poppentheater op zich juist toe uitnodigen, in deze voorstelling wat onderbelicht ten opzichte van de informatie, die daardoor juist aan kracht had kunnen winnen.
Foto’s: De Schaapjesfabriek













