Tijdens Beyond the Black Box is het gebruikelijk dat performances en performatieve installaties spelen op de grens van realiteit en de kunstgrepen die van een handeling fictie maken. Veel voorstellingen blijven weg uit de theaterzaal of weg van het theaterapparaat, andere zetten dat juist in om de regels voor het kijkgedrag aldaar te ondermijnen of om te buigen. (meer…)
In A Plastic State of Mind volgen we vier jonge vrouwen die door een rebellencommandant in de Tweede Liberiaanse Burgeroorlog tot seksslaaf en ‘echtgenotes’ zijn gemaakt. Het stuk biedt iets zeldzaams in de Nederlandse theaters: een blik op de recente Afrikaanse geschiedenis – die vanwege de vergelijkbare oorlogen in Soedan en Congo nauwelijks ‘geschiedenis’ te noemen is.
De Eerste en Tweede Liberiaanse Burgeroorlog duurden samen zo’n dertien jaar, en kostten aan zo’n 250 duizend mensen het leven. Verschillende coups volgden elkaar op, met als onderliggende factoren etnische machtsstrijd en, zoals altijd, de nasleep van de koloniale geschiedenis. De staat Liberia ontstond namelijk in 1847 doordat ongeveer dertienduizend voormalig tot slaaf gemaakte zwarte Amerikanen, veelal onder druk van slavenhouders die voor opstand vreesden, naar het gebied werden geëmigreerd, en zij vervolgens de inheemse bevolking koloniseerden.
In de voorstelling A Plastic State of Mind, die regisseur Gavin-Viano baseerde op het Broadwaystuk Eclipsed uit 2009, volgen we in eerste instantie drie jonge vrouwen en een meisje die gevangenen zijn in een rebellenkamp, waar de commandant ze tot zijn ‘echtgenotes’ heeft gemaakt – seksslaven dus, laten we er geen doekjes om winden. Eén van hen heeft zich van die positie bevrijd door zelf soldaat te worden, en probeert het jonge meisje te overtuigen dat ook te doen – met flinke tegenstand van de oudste van de vier vrouwen. Zo ontstaat een strijd om haar ziel, die nog wordt gecompliceerd als een vertegenwoordiger van een vredesbeweging het kamp komt bezoeken.
Het script van Danai Gurira, uitstekend vertaald door Gavin-Viano zelf, creëert overtuigend de gewelddadige bubbel waarin de vrouwen leven. Lidwoorden en aanwijzende voornaamwoorden zijn veelal verwijderd, zodat je eraan wordt herinnerd dat het verhaal zich eigenlijk in het Liberiaan-Engelse dialect afspeelt. Uit alles wat de vrouwen met elkaar bespreken, blijkt dat ze hun situatie als de normale gang van zaken zien; geweld, verkrachting en tot slaaf gemaakt zijn, zijn voor hen de status quo.
In die verregaande staat van vrijheidsberoving halen ze hun pleziertjes waar ze kunnen, zoals wanneer de commandant ze de buit van zijn rooftochten komt brengen: kleding, sieraden, maar ook een biografie van Bill Clinton, die het meisje als een sprookjesboek aan de anderen voorleest.

De toevoegingen van Gavin-Viano zelf verdiepen het verhaal op verschillende manieren. Op diverse momenten verschijnen er geesten op het toneel: mythologische figuren in prachtige kostuums van Fana Richters en Iris Elstrodt. Ze slaan de gebeurtenissen alleen gade, en het voelt alsof dit de godheden van de oorspronkelijke inheemse bevolking zijn, die door het christelijke kolonialisme zijn weggevaagd.
Op subtiele wijze brengt de regisseur zo twee botsende aspecten van Liberiaanse cultuur bij elkaar: de christelijke traditie van de Americo-Liberianen (hier onder andere vertegenwoordigd door een geestig gebed in de gospeltraditie dat Shanaya Dap uitvoert), en de herinnering aan andere geloofswijzen die door de oorspronkelijke bewoners in stand wordt gehouden.
Een ander punt waarop de regisseur met het typische Amerikaanse naturalisme van het stuk breekt, is met een plotselinge musicalscène. De vrouw die namens een vredesbeweging het kamp komt bezoeken (musicalacteur Nyassa Alberta) is eigenlijk op zoek naar haar dochter, en breekt plotseling in zingen uit om haar pijn kracht bij te zetten.
Het is een pijnlijk moment vanwege het schaamteloze sentiment dat Gavin-Viano plotseling neerzet. Maar juist die frictie is ook boeiend: het onderstreept de geprivilegieerde positie van het personage, dat het grootste deel van de burgeroorlog in luxe heeft geleefd onder het bewind van dictator Charles Taylor. Net als het feit dat zij wél met lidwoorden en persoonlijke voornaamwoorden spreekt (oftewel: dialectloos Engels), laat de muzikale focus op haar eigen pijn het verschil tussen haar en de andere – volstrekt onsentimentele – vrouwen zien.
De andere acteurs zetten de dynamiek tussen hun personages ook uitstekend neer. Femi van Elshuis schetst als de soldaat een sterk portret van een vrouw die haar ziel aan de duivel heeft verkocht en niet meer terug kan, Dap combineert als ‘vrouw 1’ een gevoel van moederlijkheid naar de andere vrouwen met de wens om de baas over ze te spelen, Alix Konadu speelt de eigenwijsheid én kwetsbaarheid van haar personage mooi uit, en Kimberley Agyarko Obeng weet als het jongste meisje sterk te schakelen tussen naïviteit en de snelle verharding die optreedt als ze zelf de wapens oppakt – en uiteindelijk zelfs jonge meisjes ronselt om door haar medestrijders verkracht te worden.
De kracht van A Plastic State of Mind zit in de blik die het werpt op de positie van de vrouw in oorlogstijd, en hoe oorlog zo diep in je lichaam kan gaan zitten dat je je geen andere werkelijkheid meer kan voorstellen. De context van de Liberiaanse Burgeroorlogen is daarbij niet alleen historisch interessant, maar legt indirect de nadruk op het feit dat er as we speak vergelijkbare oorlogsmisdaden plaatsvinden in landen als Soedan en Congo – en is zo nog even actueel als ooit.
Foto’s: Bart Grietens












