Het zou bijna bedolven geraken onder de mediaberichtgeving en sociale mediabeelden van de spectaculaire opening van de tentoonstelling Tilda Swinton – Ongoing afgelopen weekend in Eye. Maar op zondag, nadat de rode loper was opgerold, ging midden in de net geopende tentoonstellingsruimte de performance A Biographical Wardrobe in wereldpremière. Ik zag de laatste van de drie performances op dinsdag 30 september in Eye.

De afgelopen jaren waren wij bij Het Geluid Maastricht, mede dankzij Edward Saïd en Gloria Wekker en hun denken over ‘het cultureel archief’, geïnteresseerd in iedereen die performatieve vormen zoekt om archieven tot leven te wekken. We volgden de performances van Tilda Swinton en Olivier Saillard op afstand , ze waren een grote inspiratiebron bij het visueel vormgeven van onze opera The Shell Trial. We stonden dus te trappelen om deze nieuwe performance, in een serie over mode- en kostuumarchieven, nu eindelijk live bij te wonen. Ik schrijf dit verslag dus als bevooroordeelde collega en liefhebber.

Ontdaan van alle glamour, in een enkele lichtstand, met een klein publiek op gelijke hoogte, zien we Swinton zelf in ontspannen conversatie met modecurator en -historicus Saillard. Nadat ze met deze goede vriend al eerder performances maakte rondom archiefstukken van Marie Antoinette en Napoleon in Palais de Tokyo, en rondom kostuums uit de films van Pasolini, maken ze nu, met als aanleiding de tentoonstelling Ongoing, een intiemere versie rondom de archiefstukken van Tilda Swintons eigen legacy en genealogie.

De museale ruimte is wat het is: een museale ruimte. Twee jonge museummedewerkers van Saillard ondersteunen het tweetal. Ze rijden rekken kleding de vloer op, maar brengen vaker in crèmekatoen ingepakte archiefstukken nuchter, praktisch en zakelijk de ruimte in.

De eerste katoenen archiefzak bevat een aantal zijden jurken van de Pools-Londense naaister die de moeder van Swinton haar maatwerk liet verzorgen. Op de dag dat Swinton de kostschool verlaat, op haar zeventiende, laat haar moeder ook voor haar zo’n zijden jurk maken. Saillard stelt vast dat de jurk hem doet denken aan Margaret Thatcher, waarop de zaal in een ontspannen lach uitbarst. Het ijs is zeker gebroken wanneer Swinton vertelt dat ze in die tijd hield van de Sex Pistols en dat deze jurk daar zeker niet mee rijmde. Het is het begin van een reis door de tijd via stukken uit het persoonlijke archief van de actrice en haar familie. Het is een openhartige en intieme performance, omdat ditmaal niet grote filmkostuums of historische namen deel zijn van het uitpakken van materiaal en erover praten, maar we in dit eerste deel vooral het nest en de afkomst van Swinton leren kennen.

Af en toe stelt Saillard uit de losse pols de vraag welke modus of expressie een kledingstuk bij haar losmaakt. Waarop Swinton, na kort nadenken en herinneren, met weinig poeha en met een kleine bewegingsverandering binnen enkele seconden haar vader, grootmoeder of andere voorouder weet neer te zetten. Op luchtige wijze en met lichte toets toont zich hier haar vakmanschap.

Een oude kist die geopend wordt met handschoenen toont de doopjurk die vele generaties van haar oude Schotse familie droegen, legerkleding (haar vader was generaal en archivaris), het kunstbeen van haar vader (vergezeld door een keiharde, nuchtere brief vanuit Duitsland in 1945), het tropenkostuum dat hij droeg toen hij haar moeder ontmoette in Australië, een koninklijke tuniek die haar grootvader gedragen moet hebben bij de abdicatie van de koning.

Niet alleen vertellen deze stukken het verhaal van de lange lijn van de Schotse boerenadellijke familie van Swinton, ze doen ook mij en mijn zus terugdenken aan de zolder van onze Chinees-Indonesische Molukse grootmoeder en de scheepskist met kleding die uit die andere wereld en andere tijd is meegekomen. Zo zal iedereen tijdens de performance ontspannen de glamour van filmster Swinton af en toe vergeten zijn en afgedwaald zijn naar kledingstukken die je eigen familiehistorie bevatten. Kleding is behalve de identiteit van een individu ook diens context en diens tijd.

In het middendeel van de performance verschuift de focus van oude waardevolle stukken naar het losbreken en het vinden van de eigen identiteit van Swinton, onder andere verteld door de omslagdoek die ze droeg tijdens haar twee Afrikaanse tussenjaren, werkend als vrijwilliger op scholen in onder meer Zuid-Afrika, tussen het afronden van de kostschool en het moment dat ze schrijven ging studeren aan de universiteit. Een trui uit de punktijd staat garant voor een verhaal over hoe Margaret Thatcher haar als socialist toch voor even weer samen wist te brengen met haar conservatieve vader. Thatcher zei: er bestaat niet zoiets als een samenleving of society. Dan zijn de oude Swinton en punker-socialist Tilda het voor even eens.

Doorlopend stelt Olivier vragen aan Tilda. Het is eerder alsof we bij hen in de keuken zitten dan dat de toon iets te maken heeft met op een podium staan. De toon is ontspannen en tegelijk zeer precies. Woordkeuze doet er evenveel toe als kledingkeuze. Niets is al te bedacht, maar tegelijk toch ook goed geconstrueerd. Als Swinton vertelt dat ze naar de universiteit ging om schrijver te worden, maar erbij zegt dat ze zich nog altijd schaamt dat daar niks van gekomen is, dan kan je niet anders denken dan dat deze performance behoorlijk kundig en rijk van taal geschreven is. Als het zo is dat de volgorde van verhalen is bepaald door de volgorde van archiefstukken, en dat ze de vragen elke dag opnieuw stellen en zo het verhaal steeds opnieuw construeren, dan is dat behoorlijk briljant. Mocht het zo zijn dat ze het woord voor woord hebben uitgeschreven en precies zo herhalen, dan maakt het deze performance alleen nog maar beter. Zeker gezien de luchtige, nuchtere toon waarop alle verhalen worden verteld alsof ze ter plekke voor je ogen ontstaan.

Bijzonder is dat, hoewel de toon nuchter is en de handeling van het uitpakken en ophangen ook heel aards en praktisch uitgevoerd wordt, er toch een stapeling van verhalen, personages en geesten in de lucht gaat hangen. Saillard vertelt ergens dat Tilda geen mannequins of paspoppen wilde in de museumopstelling, maar lege hangers zodat je bewust kan worden van het afwezige.

Meest ontroerend in dit opzicht is het uitpakken van een trui die Swinton om en om droeg met de filmmaker Derek Jarman, met wie ze ook een innige vriendschap onderhield en met wie ze acht films maakte. Ze vertelt over hun eerste ontmoeting in zijn keuken, een ontmoeting die hij volledig filmde. De vragen die medeperformer en vriend Olivier dan stelt overstijgen de rol van archivaris. Ze raken aan het verlies van vrienden, zoals Jarman aan hiv en aids. Staand, zachtjes kloppend op de trui die ze met Jarman jaren deelde, is het alsof Swinton de herinneringen uit de stof klopt, hardop denkend, herinneringen herscheppend. Vanaf dan lijken voor mij de hangers met kleding nog veel meer te gaan leven. Zeker als een jurk, gevonden door Swinton in een vintagewinkel in Portland, Oregon, de connectie legt met Hollywood en haar eigen inspiratiebronnen die ze vond in actrices als Greta Garbo en Carole Lombard.

Vanaf dan, in het derde en laatste deel, toont Swinton de evolutie van de rode loper: van de vroege jaren negentig, waarin ze zelf een jurk kocht en die meermaals droeg bij premières waar amper foto’s werden gemaakt, tot aan nu, een tijd waarin grote modehuizen maar ook bevriende ontwerpers voor speciale gelegenheden dingen voor haar maken.

De verhalende en visuele dramaturgie van dit derde deel is mooi voor deze performance, maar ook voor de keuzes die Swinton maakt in haar pogingen de glamour van filmfestivals en prijzengala’s inhoud te geven. Als Chanel iets voor haar wil ontwerpen voor haar Gouden Beer in Berlijn, dan vraagt ze hen een knipoog te maken naar de generaalsjas van haar vader, een glamoureuze vertaling van een beschermhuls, zeker omdat ze die avond een speech uitspreekt die politiek beladen is in het Berlijn van vandaag.

Een spannend archiefstuk uit het slotdeel is een mantelpak van Christian Lacroix uit de nineties dat ze zelf doneerde tijdens het maken van de film Edward II met Jarman. Ze droeg het later toen haar ex-man haar schilderde en voor de catalogus van de Ongoing-expositie. Deze intieme ontmoeting met Swinton en Saillard toont naast de adellijke vorming, waardering en rentmeesterschap van spullen en materialen ook de zorg die een leven in de kunsten vraagt voor materiaal. In Ongoing en in deze specifieke performance lijkt Swinton vooral te stellen dat het kernmateriaal daarvan vriendschap en artistieke kinship is.

Hoe glamoureus de opening van dit cultureel event van het jaar ook leek, in deze rustige, kundig uitgevoerde en goed live geschreven performance in de dagen erna stelt Tilda Swinton nuchter vast dat glamour uit de oude Schotse taal komt en zoiets als mythische illusie betekent. Ontdaan van alle glamour en magie, nuchter vertellend en uitgevoerd, heeft deze intieme performance evengoed iets magisch. De magie van fellowship, society, vorming en contact. Ik besloot daarna toch maar een kort verslag te schrijven. Al was het maar voor de archieven.

Foto’s: Ruediger Glatz