Boven het toneel hangt een soort gouden kroonluchter van drie gehoornde dierenkoppen met glanzend rode ogen die langzaam ronddraait. Een discobal from hell die zijn dreigende schaduwen over wat komen gaat letterlijk en figuurlijk vooruitwerpt. (meer…)
De onderhoudende, historische openluchtvoorstelling Komt dat zien speelt in 1629 tegen de achtergrond van de Tachtigjarige Oorlog en het beleg van het door de Spanjaarden belegerde katholieke stad Den Bosch. Dan zou je wapengekletter verwachten, veldslagen, plunderingen, branden, maar daar is bij de voorstelling Komt dat zien, in de vorm van een wagenspel, niet voor gekozen.
In de twee uur durende voorstelling volgt het publiek de routines, twijfels, overlevingsdrang en onderlinge strijd bij de rondreizende theatertroep van rasverteller Quintus Quirulinus. De vijf spelers van deze Wonderbaarlijke Kunstenkar zijn uiteenlopende karakters met wie het publiek zich tamelijk eenvoudig kan vereenzelvigen.
De Tachtigjarige Oorlog is in de verhalen steeds dichtbij, vaak voelbaar, maar nauwelijks zichtbaar. Dat biedt ademruimte en maakt Komt dat zien tot een lichte, humoristische, maar ook beladen en gelaagde productie waarin goed wordt geacteerd, bovenal door Xander van Vledder die de rol van Quintus met flair, ook onverwachte diepgang, vertolkt.
Het stuk speelt bij de Citadel, een voormalig fort in Den Bosch en dat is een prachtig en toepasselijk gekozen locatie. De open vlakte binnen de groene wallen van het fort is nog leeg als het publiek de tribune beklimt. In het gras liggen juten zakken en karwielen.

Pinkie, de jongste telg van het reizende theatergezelschap, trapt af met een monoloog. Er klinkt onrust in zijn woorden. Gaandeweg blijken zijn keuzes grote impact te hebben op de ontwikkelingen. Meteen daarna komt zijn theatertroep zingend op: ‘Komt dat zien, komt dat zien!’ De acteurs duwen een imposante, hoge kar met daarop het decor van de voorstelling. Het is een ingenieus geconstrueerde kar: onderdelen kunnen bewegen, worden neergelaten en opgetakeld, waardoor de speelvloer aan de voorkant van de kar allerlei formaten krijgt. Bovendien is er genoeg ruimte voor de muzikanten, want meerdere acteurs bespelen een instrument: harmonium, gitaar, fluit, trommel. Ze spelen en zingen.
Quintus Quirulinus is de onbetwiste voorman van de groep, hij is ook de oprichter. Hij leeft van het vermaken van zijn publiek en hij beseft dat het in een tijd van oorlog nog belangrijker is om met toneel, muziek, grappen en wonderlijke verhalen de realiteit even te vergeten. Het is voor hemzelf ook een manier om te ontsnappen aan drama’s uit zijn verleden, maar dat weet het publiek in het begin nog niet.
Het verhaal dat de groep op het repertoire heeft staan gaat over de wonderlijke ontsnapping van Quintus aan de Spanjaarden en daardoor aan de gewisse dood. In het gezelschap speelt een vrouw, Zus heet zij. Voor die tijd is dat een noviteit, zo communiceert de voorman. Ook verkoopt hij zakdoekjes met haar okselzweet.
De spanning in de groep neemt toe als een gezant van Frederik Hendrik van Oranje gebiedt om een voorstelling te geven voor de Staatse troepen die Den Bosch willen veroveren. Het is de bedoeling dat officieren uit dat leger in het stuk alle lof krijgen, ook de brute kapitein in wiens naam het gebied rondom Den Bosch is platgebrand en burgers en boeren zijn gedood. De gezant eist dat de vrouw in het gezelschap meespeelt. De legerleiding wil haar aan het werk zien.
Zus is faliekant tegen het spelen voor de soldaten die veel van haar geliefden hebben omgebracht. Ze weigert en zet de boel op scherp. Quintus wil juist wel spelen, want weigeren is funest voor de bestaanszekerheid van zijn theatertroep, misschien wel voor de levens van zijn acteurs, zo vreest hij. Een stemming volgt en de stem van Pinkie, de Benjamin van het gezelschap, is doorslaggevend.
Het slot is verrassend en tragisch. Gaandeweg deze openluchtvoorstelling worden de persoonlijke beweegredenen van spelers, hun waarden in het leven belicht. Kiest iemand voor principes of laat je die varen omdat je wil overleven?

Door het volgen van de ontwikkelingen binnen een theatertroep is het verhaal over een groot internationaal conflict behapbaar gemaakt. Door in te zoomen op persoonlijke verhalen en afwegingen van de reizende acteurs, krijgt Komt dat zien een fraaie diepgang; hun levensthema’s zijn voorstelbaar en herkenbaar.
Auteur Alexander de Bruijn en regisseur Albert van Andel hebben het stuk een lichte toon gegeven. Er valt veel te lachen. Dat komt zowel door de merkwaardigheden van de personages en de vaak komische scènes. Als er tijdens de première even iets mis is met het harmonium, weet Van Vledder dat losjes op te lossen. ‘Snel repareren, anders duurt deze oorlog tachtig jaar.’ Twee uur is een flinke zit, op houten banken, dat vraagt iets van het publiek. Zeker tegen het eind kan het een tikkeltje korter.
De voorstelling is gemaakt in opdracht van Stichting 1629, ook initiatiefnemers van Broeders – De val van Den Bosch, een binnenproductie uit 2019, eveneens tegen de achtergrond van het Beleg van Den Bosch. Dat beleg is in 2029 vierhonderd jaar geleden.
Foto’s: Casper Koster














