‘Theater! Dat was in die jaren de drenkplaats waar zeldzame dieren bijeenkwamen, wanneer de dag ten einde liep en de wereld even wat rust kende.’ En: ‘Die vreemde toneelwereld nam je meteen in bezit’. Tot slot: ‘Theatermensen; dat was mythisch gevogelte.’ Dit zijn slechts drie citaten uit de nieuwe, autobiografische roman Als een nacht zonder slaap van regisseur en toneelschrijver Frans Strijards. Meteen op de eerste bladzijden opent Strijards de toneelwereld en vooral zijn fascinatie daarvoor op verleidelijke, meeslepende wijze.  

Het boek speelt zich af in het begin van de jaren zeventig. Strijards (1952) woont nog bij zijn ouders in Eindhoven, waar hij regelmatig naar het toneel gaat. Op zijn twintigste besluit hij naar Amsterdam te verhuizen, hij wil de toneelwereld van dichtbij meemaken, sterker, hij wil deel uitmaken van die gedroomde wereld.

Voordat hij ons als lezer meeneemt naar het Amsterdam van toen, keert hij terug naar 1965 om te schetsen ‘hoe en waarméé het begon’, die liefde voor toneel. Hij noemt dat de ‘belangrijkste herinnering, de onvergetelijke gebeurtenis, die direct tot mijn verbeelding heeft gesproken’. Daar is hij als scholier getuige van een optreden door acteurs van het Eindhovens gezelschap Proloog, een groep die destijds tot het vormingstheater behoorde. De spelers brachten gedichten van Guido Gezelle en Paul van Ostaijen met een ‘verbijsterende energie’ en een ‘ware doodsdrift’. Deze herinnering is voor Strijards de sleutel tot zijn latere toneelliefde.

Strijards kiest zijn woorden zorgvuldig en minutieus, kalm en weloverwogen. Hij laat de lezer duidelijk weten dat hij, met de schoolvoorstelling van Proloog als begin, op zoek is naar zijn verloren tijd waarin hij toegang zoekt tot het ‘betoverd eiland’ van het theater. Hij memoreert dat hij als regisseur en toneelschrijver een ‘uitbundig artistiek bestaan’ heeft geleid waarin het theater zowel zijn leven mogelijk maakte als hem ‘op den duur ook de mogelijkheid tot het leven’ ontnam. In deze laatste observatie weerklinkt een tragiek die door het hele relaas speelt.

In dit herinneringsboek – want dat is het uiteindelijk – speelt de auteur graag met woorden als verbeelding en werkelijkheid, met realiteit en verzinsel. Dat is terecht. Theater is een verzinsel, zoals hij keer op keer benadrukt, maar voor hem is het een reëel geluk midden in dat bizarre avontuur te staan.

Verreweg het grootste deel speelt zich af in en rondom het Waterlooplein en aan de theaters van de Nes, met name de Brakke Grond, waar met een legendarisch figuur als Lodewijk de Boer het nieuwe theater begint. Ook Hugo Claus speelt een rol, en de bladzijden gewijd aan deze ‘helden’ zijn van een verrukkelijk theaterhistorisch belang. Strijards’ eerste schreden op het theaterpad voeren hem naar een café aan de Nes waar hij Han Surink zou ontmoeten, een van de oprichters van Toneelgroep Studio. Het komt niet echt tot een samenwerking, maar de schuchtere Strijards raakt steeds meer in de ban van theater.

Wat nieuw is aan dit boek, althans voor mij, is de rol die de zogenoemde Kruitkelders ofwel het Kruitmagazijn speelt aan het Waterlooplein, tussen de Amstel en de Mozes en Aäronkerk. In die Kruitkelders werd gerepeteerd, gespeeld, daar kwam de hele toneelwereld bijeen. Hier wordt Strijards ingewijd in het toneelspel: hij raakt betrokken bij een groep die een act wil opvoeren door tijdens een feest van rijke ouders hun dochter met haar eigen poppen te ontvoeren. Strijards zou de tekst schrijven. De ouders komen erachter en verzetten zich fel. Deze beoogde ontvoering vormt de verhaallijn van het boek, waaraan een aangrijpend liefdesverhaal voor Ineke wordt toegevoegd. Haar sleutelzin is: ‘Wie heeft het leven geleefd dat voor mij was bedoeld?’ Prachtig.

Verwacht van dit boek niet veel concrete verwijzingen naar het theater- en kunstenaarsleven van toen. Aktie Tomaat komt aan de orde, evenals het befaamde Amerikaanse gezelschap The Living Theatre, Mickery. Voorts Strijards’ eigen Projekttheater, enkele duidelijk herkenbare coryfeeën van de Nederlandse Comedie als Ton Lutz, Ellen Vogel en Guus Oster, Mickery en Ritsaert ten Cate, de happenings van Fluxus, saxofonist Willem Breuker. De auteur stipt het aan, soms met venijn zoals over Ellen Vogel die ‘wauwelde helemaal een enorm eind weg’ en de genoemde Surink die hard als een grimmige man wordt aangepakt, maar verder is het boek voor alles een prachtige evocatie van de wereld van het toneel.

Aan het eind volgen enkele verrassende bladzijden waarin de auteur opeens wél concreet wordt en aan geschiedschrijving gaat doen: ter gelegenheid van de vijftigjarige viering van Aktie Tomaat (in 2019) interviewt hij voor het vaktijdschrift Theatermaker enkele betrokkenen van vroeger om naar hún herinneringen te vragen. Hij doet dit om zelf meer greep te krijgen op die tijd en op het rumoer dat de toneelrevolutie ontketende. Strijards bezoekt in ITA de jubileumavond van 4 november 2019 met onder meer Gerardjan Rijnders, Jan Joris Lamers en een stel jonge spelers. Maar feitelijk voelt Strijards zich niet thuis: hij heeft geen band met de theatermensen van nu, ze spreken een voor hem onbegrijpelijke taal en hij vlucht de schouwburg uit, het Leidseplein op waar hij zijn eigen toneelherinneringen heeft liggen.

Het is een aangrijpend slotakkoord dat tegelijk bijzonder openhartig is. Strijards schrijft dat het leven in de wereld van de fantasie een ‘psychische vernietigingsoorlog’ inhoudt. En: ‘maar weinig mensen zijn ertegen bestand om lange tijd illusieloos met de realiteit om te gaan.’ Hier raakt Strijards een kern: in het begin noemt hij theater een ‘schuilhut’ waar hij zich als regisseur en artistiek leider van eigen gezelschappen als Projekttheater en Art & Pro (Artikelen & Projekten) veilig voelde en kon leven in zijn verbeelding. Maar de fusie die in 2001 tot stand kwam met de Trust en resulteerde in de Theatercompagnie was voor hem een nachtmerrie: na een jaar mislukte de samenwerking en verloor Strijards zijn schuilplek, zijn ‘thuis’, in de wereld. Hij werd ‘geestelijk volkomen dakloos’ en had, zonder eigen groep, geen ‘verweer’ tegen het leven. Een diepe persoonlijke crisis volgde, een tijdlang betekende alcohol de redding totdat hij daarmee ophield. Onthutsend is dat hij schrijft te leven ‘met een uitzicht op de dood’.

Het is, aldus de auteur, een wonder dat hij het theaterleven met zijn toppen maar vooral ook diepe dalen heeft overleefd. Met Als een nacht zonder slaap schreef Strijards een boek dat de dromen én gevaren van een leven gewijd aan theater met openhartige precisie vastlegt. Deze bekentenis van een theaterregisseur is belangwekkend.

Als een nacht zonder slaap van Frans Strijards, Uitgeverij Imprint, 322 pagina’s,  € 21,50. Verkrijgbaar via de betere boekhandel, www.itfb.nl en www.theaterboekhandel.nl. Theaterkrant Magazine publiceerde begin deze maand een voorpublicatie

Beeld: Sarah Jonker