Criticus en dramaturg Fransien van der Putt is op Theater aan Zee in Oostende. In een korte reeks verslagen beschrijft ze wat ze deze editie ziet. Een blik op het festival van tussen de wimpers door.

Iemand zijn lijf teruggeven
Er lijkt niets veranderd, althans in de Amsterdam-, Cairo-  en Romestraat, waar ik doorheen peddel elke dag op mijn huurfiets richting Café Koer, het festivalhart van Theater aan Zee in het Leopoldpark in Oostende. Het ligt een blok of twee verwijderd van de boulevard, de Albert I promenade en het eindeloze, witte zandstrand, waar iedere dag luchten, licht en golven de mooiste schilderijen toveren. In mijn ‘internationale’ buurtje staan de huizen er nog even haveloos bij, terwijl andere met veel geld tot überhippe woonstede worden verbouwd. Dezelfde meneer zit nog in zijn deur, half op straat. Er zijn nog zwervers achter de Sint Jozefskerk. Ik hoor meeuwen krijsen en klokken luiden, net als vorig jaar.

Op de eerste dag van mijn verblijf, nog voordat ik na zevenen de Peda in mag – het internaat met prachtige brute architectuur waar veel festivalgasten en medewerkers slapen in studeercellen met balkon en wastafel – was ik al meteen bij de Heilig Hartkerk, een stukje verder Oostende in. Het is een neo-neo geval, met fijne, dubbele zuiltjes in het koor, Toscane en de veertiende eeuw gekruisd met Lourdes en de zoveelste kersteningsgolf denk ik. Timo Tembuyser heeft voor Missa Mater Solo een hele groep zangers en een fluitiste rond het altaar verzameld, midden in de kerk. Ze hebben vragen over waarheid en oorsprong, lijken god de vader te willen vervangen door een moederfiguur. De zangers zingen ieder in hun eigen taal, refereren aan verschillende religies, mono- of pantheïstisch. Er doemt een soort oucumene op en nu galmt het niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk in mijn hoofd. Ik snap ook niet waarom je in deze religieuze klankkast nog aan versterking doet. Mijn oren lopen vol en verdrinken.

Dan stelt Tembuyser ineens een heldere vraag: kunnen we verhalen als die van Jezus brengen zonder al dat geweld? Over zijn schouders kijk ik naar de relatief kleine kruiswegstaties die aan de muren hangen van het transept. Fumiyo Ikeda, die ooit een gezichtsbepalende danseres bij Rosas was en al jaren eigenzinnige projecten doet, verbeeldt de rol van de oermoeder. Zoals de zangers samen kunnen zingen, kan zij met tijd en beweging werken. Ze vertraagt, laat haar lichaam rusten en aankomen in de etherische ruimte van wit marmer, stralend zonlicht, blauwe luchten die vanuit de nok meedoen en hemelse stemmen.

De eenvoud van haar keuzes geeft mij mijn oriëntatie terug. En dan keert ze ook nog de mater dolorosa om. In plaats van te lijden met Christus – dat beeld van de oudere vrouw met haar benen wijd, Jezus languit over haar schoot gedrapeerd – geeft ze de zangers een voor een hun lichaam terug, met een eenvoudig gebaar, een ritueel, een oefening rond het altaar. Het doet mij denken aan de herschrijvingen van de Sacre du Printemps. Laurent Chetouane haalde het offer uit de Sacre. Bij Dada Masilo was het de moeder die haar dochter offerde, niet de gemeenschap waarvan zij de geestelijk leider is. Met Masilo vraag ik mij af of een matriarchaat zoveel beter is dan het heiligen van die verdomde vaderlijke lijn. Maar goed, moeder aarde, moederschap als metafoor voor zorg, multi-tasking en onzelfzuchtigheid, daar is niets op tegen. Sterker, daar is iets voor.

Na afloop, op de trappen van de kerk, in gesprek met de makers blijkt dat Missa Mater Sola helemaal niet voor een kerk bedacht is, noch voor een publiek dat rondom de vier kanten van het speelvlak zit. Het is een enorm experiment dat Tembuyser en TAZ met elkaar aangaan. In september staat de voorstelling gewoon frontaal, in de Expozaal van de Brakke Grond in Amsterdam, en de rest van de tournee zal ook voor zwarte dozen zijn, die niet zo resoneren als de wit-blauwe koepel in Oostende.

Zachte pornografie
In de avond zie ik Lisi Esteras in een zwart doosje met een orka dansen. Heel indirect, via allerlei understatements, verwijzingen naar Wittgenstein’s taalspel, en de ritmische patroontjes die ze uit haar lichaam tovert, komt Esteras uit bij de menopauze, een verlangen naar seks, angst om dat te verliezen. Half entertainer, half personage, bewegend tussen auto-biografie en fictie, beschrijft ze uiteindelijk een wilde vrijpartij vanuit het perspectief van een man. De ik heeft een lul en kan niet ophouden haar te nemen.

Die omkering in #thisisbeauty heeft een enorm effect. De voorstelling wordt op een zachtaardige manier pornografisch, iets dat je zelden zo meemaakt. Maar je weet het niet, het zou toch ook nog steeds om een verkrachting kunnen gaan, iets waar Esteras en passant iets over opmerkt aan het begin van de voorstelling maar nooit meer op terugkomt. Het is ontwapenend en ontroerend, zoals Esteras seksuele ervaringen een plek geeft midden op het podium. Een aantal toeschouwers laat luid hun enthousiasme horen en gaat meteen staan bij het applaus.

Behalve stoere provocatie inruilen voor het tonen van kwetsbaarheid, en daar een goede vorm voor vinden, valt op TAZ ook op dat veel makers het theater niet gebruiken als spectaculaire kijkdoos, maar er eerder een luisterplek van maken, wat Esteras en Tembuyser ook doen. Alsof het dominante en vanzelfsprekende dat zich in beelden moet tonen beter onderbouwd kan worden met geluid en tekst dan met nog meer beelden. Alsof we door te luisteren zachtaardiger worden dan bij het theaterkijken gewoon is. Alsof je meer mee kunt bewegen en voelen wanneer je het welbehagen van het overzicht en de welbepaalde positie van de toeschouwer loslaat. Daarover morgen meer.

 

foto: Delphine Lebon