In de theatersector verkeren velen in een bijzonder zwakke arbeidsmarktpositie en de mate van uitholling is groot. Theaterkrant voert een serie gesprekken over de (artistieke) gevolgen van ‘unfaire’ praktijken. Daarbij kijken we vooruit naar wat een gezonder werkklimaat allemaal zou kunnen opleveren. Deze week: Jasper Džuki Jelen en Mojra Vogelnik Škerlj, artistiek leiders van performancegezelschap The100Hands.

Wat zouden jullie willen veranderen aan jullie werkpraktijk als jullie inkomen erop vooruitging?
Mojra: Ik zou dezelfde dingen doen, maar ik zou er meer tijd voor willen nemen. Nu zijn we relaties aan het opbouwen met fondsen en gaat het over strategie. Maar ik wil me ook richten op de maatschappelijke verbinding waar ons werk voor zorgt. Maar daar kan ik waarschijnlijk pas in juni 2019 weer over doordenken (lacht). Die relatie met zo’n fonds is ook belangrijk, maar…

Jasper: Relaties kosten tijd en energie. En het lichaam vraagt ook tijd en energie. Dat is ons gereedschap. Fysieke processen, ook artistiek, vragen tijd om echt tot kwaliteit te komen. We lazen een interview met de Kroatische arbeidssocioloog Aleksandra Kanjuo Mrčela die goed uitlegt hoe de situatie in onze sector kenmerkend is voor een globaal fenomeen. De mens wordt steeds meer vervangen door computers, waardoor het lichaam een duur instrument wordt. Er ontstaat een vertekend beeld van wat arbeid, iets maken met je handen of je lichaam, eigenlijk kost. We zitten in een tijd waarin de waarde van lichamelijke arbeid onder druk staat.

Als je subsidie aanvraagt, is er een vreemd soort bewijslast: eerst moet je een plan hebben dat laat zien dat je het waard bent, daarna heb je voorwaarden waar je aan moet voldoen en achteraf moet je nog verantwoorden. Dat dwingt een mentaliteit af waar veel van je creatieve energie in gaat zitten. Terwijl ons werk uitgaat van lichamelijkheid, en de waarde ervan zich meestal pas al doende openbaart. Dus zo’n aanvraag doen voelt als een omgekeerd proces voor ons. En ik bedacht me net, als ik dat nou eens wegneem, wauw. Ik zou die tijd en energie graag besteden aan waar het echt om gaat.

Als je zelf het contact met subsidienten kon vormgeven, hoe zou dat er dan uitzien?
Mojra: Wij merken dat als mensen ons werk hebben ervaren, ze duidelijk begrijpen wat we bedoelen. Als we het alleen vertellen of opschrijven, kost het meer moeite om te snappen waar het precies omgaat. We beginnen nu met een vooronderzoek. Daarmee weten we beter welke kant het opgaat en praten we er gemakkelijker over. Maar eigenlijk wil je daarna het liefst meteen doorpakken, zonder eerst te moeten schrijven en een paar maanden op de uitslag te wachten.

Jasper: Ik zou ze willen betrekken bij het proces. Eigenlijk zou ik tegen een subsidieverstrekker willen zeggen: ‘We doen een vooronderzoek, kom daar naar kijken.’ Wat we nu al doen met publiek en langzamerhand ook met programmeurs. Het wordt dan een andere verstandhouding.

Omdat er zoveel van tevoren bedacht, gepland en verkocht moet worden, heb ik ook weleens het gevoel dat de urgentie van het werk minder wordt. Terwijl je eigenlijk een kunstenlandschap wil waarin de makers meteen kunnen reageren. Een van de kernmotivaties in ons werk is juist om aan deze tijdgeest tegenwicht te bieden. We zien steeds weer in de fysieke ontmoeting die ons werk is, dat we ons dan echt als mens moeten verhouden tot elkaar… ja dat doet iets. Dat is onze drive.

Mojra: Nu die computers ons werk uit handen kunnen nemen, zou het logisch zijn om allemaal wat minder te gaan werken en meer tijd te besteden aan onze ontwikkeling, gezondheid en relaties. Maar Aleksandra Kanjuo Mrčela zegt dat het omgekeerd is. We denken: als we iemand per dag twee uur meer laten werken dan kan die in zijn eentje het werk van twee mensen doen. We maken een persoon overbodig en zetten de ander enorm onder druk. Ook in onze sector. Misschien is een ideale situatie toch om minder te werken. Als je meer tijd hebt voor je ontwikkeling word je uiteindelijk veel sterker dan eens in de twee jaar te denken: we moeten weer aanvragen.

Jasper: Ik denk dat daar een veel duurzamere ontwikkeling in zit. Nog idealer zou het zijn als het proces niet zo versnipperd werd door de aanvraagsystematiek. Dan konden we de energie die we nu van tevoren al besteden, inzetten voor reflectie en de kwaliteit van relaties. En dan werkten we minder versplinterd aan lopende, afgelopen en toekomstige projecten tegelijk.

Foto: Alessandro Spinuso