In de theatersector verkeren velen in een bijzonder zwakke arbeidsmarktpositie en de mate van uitholling is groot. Theaterkrant voert een serie gesprekken over de (artistieke) gevolgen van ‘unfaire’ praktijken. Daarbij kijken we vooruit naar wat een gezonder werkklimaat allemaal zou kunnen opleveren. Deze week theatermaker Czeslaw de Wijs, medeoprichter van toneelgezelschap ’t Barre Land.

Hoe zou jouw werkpraktijk er in een ideale situatie uitzien?
Oh, je wilt op een positieve manier vragen naar iets dat eigenlijk heel slecht is? Ik heb best veel aan te merken op de manier waarop we momenteel in de podiumkunstensector werken. Een van de dingen is: als je niet in de BIS zit, kun je een aanvraag doen bij het Fonds Podiumkunsten. Maar binnen het rekenmodel van dat Fonds is het in feite niet mogelijk om in de kleine zaal een groot ensemble te hebben; je kunt geen stukken doen die een grote bezetting vereisen. Daarmee doet zo’n fonds echt een inhoudelijke uitspraak over een heel deel van het veld. Het moeten allemaal stukken voor twee, drie of hooguit vier mensen worden. Terwijl ensemblespel voor ons bij ’t Barre Land de essentie is van theater.

Een tweede is dat je al zoveel voorwerk moet hebben gedaan voordat je je subsidieaanvraag kan indienen. Waar blijven die gewerkte uren? Met ’t Barre Land hebben we dat bij het Fonds aangekaart en toen zeiden ze dat we dat dan maar moeten begroten. Maar dat zullen ze niet accepteren, omdat het een afnamesubsidie is en de verhoudingen dan niet meer kloppen. Dus het moeilijkste voor gezelschappen zoals wij is dat je niet kunt maken wat je wil, je komt nooit goed uit die rekensom.

En je doet veel werk in verloren tijd?
Ja sowieso. Ik werk drie van de vijf dagen aan ‘t Barre Land en haal er voor een halve dag inkomen uit. Die verhouding is het ongeveer. Ik denk dat ik er in totaal voor drie maanden per jaar honorarium voor krijg.

Nu komen we op nog een groot probleem: vanuit idealisme wordt er heel veel opgevangen in onze sector. Mensen gaan maar door, terwijl er eigenlijk allerlei verborgen werkloosheid is. Het moeilijke van idealistisch zijn in een tijd waarin er weinig geld is, is dat het je in gevaar brengt: als je wil doorgaan en dan dus bijvoorbeeld jezelf maar niet betaalt, dan geef je een teken af dat het ook best met minder kan. Je vraagt je soms echt af of je zo nou wel moet doorgaan.

Ik zou dus willen beginnen met het opheffen van de scheiding tussen BIS en niet-BIS. Want het feit dat die gemaakt is, en dat groot waardevol is en de overheid daar veel meer geld in stopt, dat vind ik zo’n waarde-uitspraak. Er zijn twee werelden gemaakt met ieder een heel verschillende werkelijkheid die wel in hetzelfde circuit komen spelen. Want de speelbeurten en de verplichtingen zijn hetzelfde, en ook de BIS heeft het daar best moeilijk mee, dus gaan ook zij op zoiets als de Parade spelen omdat ze daar veel speelbeurten kunnen halen. Dat betekent dat een BIS-gezelschap en een jonge, Fondsgesubsidieerde groep naast elkaar staan, maar die eerste met heel veel middelen en de tweede met heel weinig. Hoe kan je daar nou ooit mee concurreren? Hoe kun je dat überhaupt naast elkaar zetten?

Als ik geld genoeg had, zou ik weer een eigen territorium willen. Daar hou ik heel veel van omdat je dan op andere manier kan werken. Je kunt dan delen, bijvoorbeeld ruimte en middelen weggeven aan anderen, zoals we dat met ’t Barre Land in de Snijzaal konden. Dan zouden wij tegen jongere groepen zeggen: kom hier maar werken. Dat voelt heel rijk. Het is ook rijk. En het is een fijne manier van samenwerken.

Het past ook bij de duur dat je bestaat, dat je wil gaan doorgeven.
Ja precies, dat wil je. En als je mensen in je eigen huis kan laten werken dan kan je je eigen systeem volgen en je eigen manier van met elkaar omgaan creëren. Je kan de sleutel weggeven bijvoorbeeld. We hebben er met ’t Barre Land weleens over gedacht om een soort tweedefase repertoiregezelschap op te richten, waar mensen die zich na de toneelschool willen verdiepen in het ensemblespel een soort master zouden kunnen doen. Dus twee jaar lang bij een gezelschap zowel onderwijs volgen als maken. En als je dan je eigen ruimte hebt, kun je ook proefvoorstellingen maken, en als dat lukt een echte voorstelling en dan al die lagen door elkaar laten lopen…dat is wel een ideaalsituatie, stiekem een beetje een Moskous Kunsttheater zijn.

Foto: Plattegrond van de kunst en omstreken, Jorn Heijdenrijk