Lieve theaterfamilie,

Allereerst dank aan de Nederlandse Theaterdagen. Ik voel me vereerd de Staat van het Theater 2060 te mogen uitspreken. Na decennia van wachten en smachten is het dan eindelijk zover. Om eerlijk te zijn, de beslissing om ‘ja’ te zeggen viel me niet licht. Ik ben niet zo vitaal meer. Ik ben ook niet meer zo’n relevante denker. Mijn oog op de wereld is niet meer zo scherp. Toch sta ik hier en ben ik gelukkig u in levenden lijve te zien. Ik ben gelukkig dat het theater nog een staat heeft. Ik ben gelukkig dat dit perceel gewoon weer de Stadsschouwburg Amsterdam heet. Een gebouw met de sporen van bloed, zweet en tranen. U zit op stoelen met sedimenten van illustere voorgangers. We zijn terug in het pluchen hart van de Nederlandse theatergeschiedenis, en dat doet mij deugd.

Wat heeft mij hier gebracht? Eenvoudigweg de overtuiging dat de wereld nood heeft aan enige historische reflectie. Het is september 2060, het jaar dat Isaac Newton voorrekende als het eind der tijden. Om ons heen zien we allesbehalve onleefbare vlaktes. Wij zien door onze holo-schermen een perfect donut-economisch equilibrium. Duurzaamheid, fair-practice en gelijkwaardigheid zijn troef en maatstaf. Er is kunst. Betaald door de overheid. Er is natuur. Onderhouden door de overheid. Er is een buitenverblijf op Mars. Ontgonnen door de overheid. Het leven is eindeloos goed. Hoewel, onderhuids rot er iets. Iets dat me doet denken aan het begin van dit millennium. Destijds was de wereld veiliger, welvarender en meer verbonden dan ooit tevoren, en toch ontbrak er iets. We riepen om een ander stelsel. Een herverdeling van de taart, een plek aan de tafel van macht. Onderhuids waren we eenzaam en verongelijkt.

Vandaag leven we in zo’n zelfde scharniermoment. We leven in een perfecte wereld. Het is opnieuw veiliger, welvarender en meer verbonden dan ooit tevoren. Toch zijn we ontevreden, heerst er onrust in straten, op pleinen. Sommigen wijzen naar de obsessieve datacontrole van de Chinese techreuzen, sommigen schrijven het toe aan biogenetisch racisme. Ik denk dat het iets anders is: wij missen intimiteit. Met deze Staat wil ik daar licht op zetten. Niet door vooruit te zien – dat heb ik mijn leven lang gedaan, met de duivel op mijn hielen, zoals mijn vader het noemde. Maar door terug te kijken. Ik wil met u de flessenpost uit het jaar 2020 lezen. Misschien dat het bericht van toen onze koers van nu doet veranderen.

Lieve theaterfamilie, in 2020 aten we de aarde alsof het de langverwachte maaltijd na de kerstavondkerkdienst was. We bunkerden. We scheurden het in stukken, een groot deel voor de happy fewen een zwoerdje voor de meute van losers. Slechts 11% van de rijkste mensen ter wereld stootten 62% van alle CO2 uit. En ik behoorde als Nederlander en kosmopoliet tot die geprivilegieerde minderheid. Ons land was wereldkampioen proppen. We overlaadden onze publieke ruimtes met toeristen, slachtvee, grachten, regeltjes en snelwegen. We lieten onze auto’s vollopen met fossiele brandstoffen. We hadden er 9 miljoen, voor iedere werknemer één. Nauwelijks voor te stellen vandaag de dag, maar het was de norm. We vulden de ether en onze zakken. We hadden per persoon een eigen vermogen van zo’n €163.000,- per jaar. We persten 100 miljoen kippen, 12 miljoen varkens en nog eens 6 miljoen koeien, schapen en geiten in onze stallen. We vraten 74,4 kilogram aan vlees, per jaar, per persoon. We bestookten onze hersenen met een dagelijks gemiddelde van 17 uur aan schermtijd. We stuurden 12 miljoen WhatsAppjes, 10,4 miljoen Facebook messages en 2,8 miljoen tweets. We vulden onze harten met blije volgers, lachende selfies en levensechte robot-verplegers. Eén derde van de Nederlanders voelde zich eenzaam – als in: niet geliefd, niet gehoord en niet sociaal betrokken. We leefden in een volle polder, met 8 miljoen woonhuizen, 21 aangelegde natuurparken en zo’n 650 podiumkunstgebouwen met 339.000 stoelen. We vulden onze agenda’s en vrije dagen met het afvinken van 1115 culturele festivals en we vlogen 1,3 keer per jaar naar het buitenland. Slechts 8% van de Nederlanders nam 40% van deze vluchten. En ik was lid van de club van 8%.

Destijds was ik verongelijkt. Boos op het system. Boos op de bureaucratie. Boos op het liberale marktkapitalisme met zijn competitiedwang, intrinsieke ongelijkheid en roofbouw. Ik klaagde steen en been over de geïnstitutionaliseerde desinteresse. Over de moraalridders van links en de domheid van rechts. Ik klaagde politici en bestuurders aan. Zij waren het toch die de wereld eigenhandig naar de klote kwantificeerden? Ik was boos. Ik was verongelijkt. Ik was blind voor mijn eigen plaats in de vicieuze cirkel. Ik zag niet dat ikzelf onderdeel was van het systeem dat ik aanklaagde. Ik was niet zomaar ergens ingetuind. Ik was verslaafd. Met mijn verslaving, met het keer-op-keer vervullen van mijn behoeftes aan lekker eten, ruime overwaardes, veilig verkeer en luxe gezondheidszorg, met het verlangen naar levensrisicoverzekeringen en betaalbare vliegtickets, hield ik de verslaafde samenleving in zwang. Yes we can, was ook mijn adagium. Als ik niet kon, dan alsnog. Niet omdat het moest, maar omdat het kon. Ik kocht me rustig aan boeken en schoenen. Ik zocht extreme adrenaline kicks in Curaçao, Gaza en jeugdgevangenissen in Kaapstad. Ik scharrelde intimiteit als een bronstig hert. Het waren allemaal shotjes ademruimte en gemoedsrust. Covid-19 was niet de ziekte. Het was de cold turkey. Een medicijn in vermomming.

Zo ook het Nederlands Theaterfestival. Een jaarlijks samenkomen van gelijkgestemden. Als een familiedag. Ideaal moment om weer eens bij te praten met nicht, zus, en oom. Het was een lustig feest van herkenning. Ieder jaar had het festival hetzelfde ritueel. Het begon met de donderdagmiddagopening, de Staat van het Theater. Na de korte wandeling van halte Leidseplein naar de SSBA-rotonde, volgde de haag van lachende familieleden, het zoenen, de lipstick van meisjes van vijftig, de klamme handen van theaterprogrammeurs, de niet-geveinsde omhelzingen met gisteren-nog-geziene-vrienden. De rij voor de trappen naar de zaal. De gesprekjes over hoe-het-gaat en het-gaat-goed. De handzwaaitjes. De veelbetekenende blikken. De vlinders. De jagende ogen. Zou ze er zijn? De trap op in vijf colonnes, langs de schilderijen van voormalige winnaars. De verzuring in de bovenbenen bij het volgen van de trappen naar het tweede balkon. De geur van koffie. Het geluid van porseleinen kopjes. De zitplaats. Het gebrek aan beenruimte. De knieën tegen de houten railing. De knipoog van de veel-te-vroeg-overleden neef M: ‘Als Caspar er is, dan weet je dat het Theaterfestival is begonnen.’ De Staat. Ik zit vol. Het beleefde applaus. De ongemakkelijke stilte. De eerste zurige online analyse van de gevreesde achterneef Lems. De quasi-intellectuele re-tweets van de neefjes Kwik, Kwek en Kwak. De stille tocht naar de rotonde beneden. Het eerste bier. Het geweeklaag. Nou, dat was niet best. Hoe kon nonkel J. deze man in vredesnaam een podium bieden? Het tweede bier. De kokette gesprekken, filosofische verwijzingen en ontologische overdenkingen. De Antilliaanse entree van broeder Jay. Het derde bier. De eerste tequila. De zoveelste sigaret. Ik zit vol. Buiten. Voor de ingang staan de rokers, als gelovigen luisterend naar een hagenpreek. Zij is er ook. De vlinders. De jagende ogen. Het geschuur tegen haar arm. Wil je wat drinken? Het vierde bier. Het intieme gesprek. De hand op haar schouder. Broer F. komt aanhaken. Het joviale gelach. Het vijfde bier. Neef Grafdenker komt aanhaken. Het geweeklaag. Het is niet best gesteld met de staat van het theater. De hitsige discussie tussen Neef Grafdenker en Broer Jay. De provocaties. De decibellen. De sisser aan het eind. Ik zit vol. Het zesde bier. De zesde tequila. Het harde gelach. De gitzwarte grappen. De versiertoer. Het wordt donker en ergens in de nacht val ik in slaap.

De volgende ochtend. De kater. Alleen thuis. De rest van de week. Hetzelfde procedé. De beste voorstellingen. De beste gesprekken. Het hardste gelach. Het gulzige zuipen en roken. Ik zit vol. De vlinders. De jagende ogen. De laatste avond, het gala. De smoking. De rode loper met zus M. aan de arm. De hagenpreek. De lipstick. De klamme handen. De scheve vlinderstrikjes. Het zenuwachtige roken van genomineerden. De rij voor de trappen naar de zaal. De gesprekjes over hoe-het-gaat en het-gaat-goed. De vlinders. De jagende ogen. Zou ze er zijn? De gouden glitterjurk. Jezus. Ze is er. En hoe? De trap op. De verzuring. Het tweede balkon. De plaats. Het gebrek aan beenruimte. Het ongemak. De afleiding. De barokke openingsscéne. De presentator. De onderhuidse actuele grapjes. Oh, wat een jaar. Ik zit vol. De eerste nominaties. Gerommel met de envelop. De gênante sketch. De uitspraak. Gejuich. Applaus. De kwezelige speech. De volgende sierlijke entr’acte. De denk-ook-aan-ons-scène van toneelschoolstudenten. De opzwepende muzikale optredens. De powerpoint presentatie van overleden broeders en zusters. De tranen. Het gesnik in de zaal. De volgende nominaties. De volgende speeches. De pijn aan de knieën. De lange zit. Ik zit vol. Het loeren naar de gouden glitterjurk. De vlinders. De Theo d’Or. De Louis d’Or. De bombastische slotscène. De bloemen. Het defilé. Het eerste bier. De zoveelste sigaret. Ik zit vol. De traditionele wandeling met oudtante Janny en zus M. naar de dampende prijsuitreiking van het Fringe Festival. Het tweede, derde, vierde en vijfde bier. De joviale lach van neef F. De Antilliaanse entree van Broer Jay. De biertjes. De tequila’s. De sigaretten. De decibellen. Ik zit vol. De gouden glitterjurk. De versiertoer. Het geflikflooi. Ergens in de nacht val ik in slaap. De volgende ochtend. De kater. Alleen thuis. Ik ben tegelijkertijd vol en hol. Achter mij een massieve ecologische voetafdruk en een eindeloos spoor van inspiratie.

Sindsdien is er veel veranderd. Op één roep na. Die om een ander stelsel. Het verlangen naar een herverdeling van de taart, een plek aan de tafel van macht. Het is nooit genoeg. De coronacrisis in 2020 liet ons zien dat een vaccin een virus kan bedwingen, maar niet onze door groei gedreven levenswijze. Als je altijd meer wilt, ben je nooit tevreden. Dan is een kleine mindering meteen het ergste van het ergste. Terwijl je meer zoekt voor jezelf, heb je geen interesse meer in wat een ander bezielt. Dan verandert het stelsel misschien in vorm of toon, maar niet wezenlijk van inhoud en cultuur. Dat blijkt nu. Er is de afgelopen veertig jaar wezenlijk iets veranderd. De tafelschikking is divers, de taart is eerlijk verdeeld. Toch zijn de meeste van jullie nog altijd ontevreden. Hoe kan dat toch? Ik heb in 2020 geleerd, dat verbonden-zijn met anderen niet hetzelfde is als contact-maken. We moesten in quarantaine, we bemerkten ineens het gemis, het verlangen naar anderen, de huidhonger, maar als we eerlijk waren, dan hadden we al decennia nood aan intimiteit. We hebben helemaal geen ander stelsel nodig. We hebben een andere mentaliteit nodig. Een geesteshouding die niet op onszelf, maar op anderen is gericht. Een actieve interesse in andere gedachten, gevoelens en culturele gewoontes.

Kortom: intimeer uzelf! Maak contact. Wezenlijk contact. Covid-19 liet ons voor even zien hoe verslaafd en in onszelf gekeerd wij waren. Hoe zeer wij eigenhandig bijdroegen aan de ongelijkheid en roofbouw in de wereld. Mijn laatste vragen aan u zijn: welke crisis heeft u vandaag nodig? Wat jaagt u vandaag aan tot reflectie? Welke ramp brengt u tot inkeer? Laat u het werkelijk aankomen op een machtsovername van een AI-dictator of de invasie van een gen-gemanipuleerd virus? Ik roep u op om eerder in actie te komen. For the sake of the future. Intimeer u nu. Niet morgen. Niet straks. Als u niets doet, blijft u opnieuw gezamenlijk alleen achter met de aloude tegel aan de muur: “Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.

Dank u wel lieve theaterfamilie. En blijf gezond.

(in de geest van Stéphane Hessel)