Deze week viert het Utrechtse Werftheater, een intiem keldertheater aan de Oudegracht, het 45-jarig bestaan. Paul van Vliet zou gisteren op de openingsavond van de feestweek eregast zijn. Zijn kleine theater Pepijn in Den Haag staat symbool voor het warme gevoel van kleine theaters in Nederland, waar grote namen hun try-outs houden en beginnende cabaretiers en kleinkunstenaars hun eerste stappen op het podium kunnen zetten. Een paar weken geleden moest hij echter afzeggen, omdat hij nog niet geheel hersteld was van een zware longontsteking. Youp van ’t Hek, die altijd aanwezig is als er een benefiet moet worden gehouden voor Pepijn, verving zijn vriend in Utrecht. Gisteravond, toen er in het Werftheater in een muziekblokje aandacht aan Paul van Vliet werd besteed, is de cabaretier op 87-jarige leeftijd overleden.

‘Als Den Haag een kind kon krijgen, dan zou Paul van Vliet dat kind zijn’, zei Yvonne Keuls eind 2013 bij de eerste verkiezing van de Hagenaar van het Jaar. Geen artiest is zo met Den Haag verbonden als hij. Door de liedjes die hij over de residentie zong, zoals Mijn ouwe school en Den Haag met je lege paleizen, waar ‘de wijzen in ’s lands dienst vergrijzen en op zolders Couperus vergeelt’. Maar ook door de manier waarop hij als gedistingeerde Hagenaar (niet te verwarren met de volkse Hagenees) door de stad wandelde en de personificatie was van het beschaafde woordje ‘pardon’.

Acht jaar geleden wandelde ondergetekende met Paul van Vliet door Den Haag langs de plekken van zijn artistieke bestaan. Veertig jaar had Van Vliet in Breukelen gewoond, maar zijn geboortestad was toch de beste plek voor zijn oude dag. Die wandeling met de gul vertellende Van Vliet voor een reportage in de Volkskrant is een van de mooiste opdrachten geweest tijdens mijn journalistieke loopbaan.

De wandeling begon in zijn geboortehuis aan de Denneweg. Daar speelde hij naar eigen zeggen zijn eerste rol, toen hij als 3-jarig ventje op zijn driewieler met een theemuts op mijn hoofd de straat uit fietste om de stad te verkennen. De politie vond hem ’s avonds in de buurt terug. De wandeling eindigde natuurlijk aan het Scheveningse strand, waar hij verknocht aan was en waar hij de inspiratie kreeg voor vele sketches en liedjes, waaronder het indringende De Zee:

De zee heeft me verteld dat ze zo moe is
Zij zei dat ze er zeer beroerd aan toe is.

Hij zei daar acht jaar geleden in de Volkskrant over: ‘Het lied is meer dan veertig jaar oud, maar nog steeds beangstigend actueel. Ik heb de zee altijd opgezocht. Ik heb een melancholieke, donkere kant, die ik soms moet bestrijden. ’s Morgens heb ik moeite met het leven, dan moet ik me over iets heen vechten. Om op gang te komen ga ik altijd even naar zee. Ik kom hier tot rust, kan er goed denken en schrijven. De zee ligt er altijd en die windt zich nergens over op. De eeuwige golfslag van eb en vloed heeft iets relativerends.’

Het Kurhaus en het Circustheater
Tussen geboortehuis en het strand stonden Van Vliet en de journalist stil bij theater Pepijn, zijn rokerige stamkroeg De Posthoorn, theater Diligentia, de Koninklijke Schouwburg en in Scheveningen ging het naar het Circustheater en het Kurhaus hotel. De oude Kurzaal van het hotel was totaal verloederd eind jaren zestig. In afwachting van wat er met het gebouw ging gebeuren mocht Van Vliet er in de zomer van 1970 staan met zijn eerste soloprogramma Een avond aan zee. Zijn kleedkamer is nu de Paul van Vliet Lounge. Er was in de Kurzaal ruimte voor achthonderd bezoekers, maar Van Vliet had een bezettingsgraad van 110 procent. Voor dat programma nam hij een aantal nummers mee uit het laatste PePijn-programma Opus IV, zoals Bram uit de commune, en zijn bekendste lied, Meisjes van dertien.

Meisjes van dertien, niet zo gelukkig;
meisjes van dertien, er net tussenin.
Te groot voor de poppen, te groot voor de merels;
te klein voor de liefde, te klein voor de kerels.
Nog nergens een vrouw, ja, van boven voorzichtig
maar verder nog nergens, nog te dun en te spichtig.
Meisjes van dertien, droom er maar van;
meisjes van dertien, giechel maar an!

Van alles typetjes die Van Vliet heeft gemaakt staat Bram van de Commune het dichtst bij hemzelf: ‘Ik ben zelf ook een sukkel en loop in zeven sloten tegelijk. Ik schat dingen verkeerd in. Als ik van de ene naar de andere stoel loop zie ik niet dat er een tafel tussen staat. Ik weet wel heel goed waar ik naartoe wil. Ik ben een optimistische pessimist, net als Bram. Hij weet dat het leven niet fantastisch is, maar hij heeft een vrolijkheid waardoor hij over de zwarte kant van het leven speelt. Die neiging heb ik ook altijd gehad, ook al durf ik de zwarte kant nu toch wat makkelijker te laten zien.’

‘Om Bram is het aller-hardst gelachen. Hij kon echt op hol slaan. Ik ben niet zo’n improvisator, maar als Bram kon ik het wel. Er zijn avonden geweest, dat ik in een trance raakte, vooral in de oude Kurzaal. Dat waren sensationele avonden. Majoor Kees was een goede tweede. Die heeft ook veel lawaai veroorzaakt. Dat harde brullen, dat doorlachen is zo leuk. Je hoorde het bij André van Duin en Toon. Het gebeurt niet zo veel meer. Het cabaret is sneller geworden en de lach wordt veel meer afgekapt.’

Het lekte, het schimmelde en rond het afgeragde gebouw was een hek geplaatst met waakhonden, die soms door de voorstelling blaften. Voor de ramen die op zee uitkeken hingen rode versleten gordijnen met gaten. Als de zon rond een uur of negen onderging kwam er een prachtige streep zonlicht precies door een van die gaten, midden op het toneel. Van Vliet vond dat de mooiste belichting die je maar bedenken kon.

Na vijf zomers in het Kurhaus werd het gebouw opgeknapt en stak Van Vliet symbolisch met een fanfareorkest over naar het Circustheater, waar hij dertig zomers heeft gespeeld. Het publiek kwam uit het hele land naar Scheveningen en er waren ook veel Nederlanders die in het buitenland woonden en met zijn zomercabaret weer een snuifje Nederland kregen.

Geen advocaat maar cabaretier
In de polder is hij altijd een vreemde gebleven. Vier kilometer buiten Breukelen, tussen de boerderijen werd het wel erg stil. Dus ging Van Vliet terug naar Den Haag. ‘Toen ik het druk had en door het land trok, vond ik het plezierig om de poort dicht te trekken en me af te sluiten. Mijn beroep heeft veel hectiek en veel gedoe. Verder vond ik dat ik niet alleen aan Den Haag behoorde, maar aan heel Nederland, dus was het logisch om midden in het land te wonen.’

Op het eerste gezicht ziet men de rijzige cabaretier als een netjes opgevoede, afgestudeerde Haagse heer. Maar daarnaast schuilde er ook een ADO-hooligan in hem, een rebelse straatvechter. ‘Ik kan ontzettend driftig worden, maar ik heb inmiddels geleerd om die drift te beheersen. Mijn eerste reactie bij een vechtpartij is tussenbeide komen, maar dat doe ik niet meer.’

In 2009 vierde Paul van Vliet zijn vijftigjarig jubileum. Hij laat zijn carrière in 1959 beginnen als hij met het Leidsch Studenten Cabaret in de Leidse Schouwburg tijdens de opening van het academisch jaar mag invallen, omdat het geplande toneelstuk is afgelast. Dankzij de professionele aanpak van zijn manager Ben Essing, die The Beatles naar Nederland heeft gehaald, breken de beginnende studenten-cabaretiers echt door. De groep haalt het Polygoonjournaal en Essing zorgt ervoor dat in winkeletalages in alle plaatsen waar zij spelen aandacht aan het gezelschap wordt besteed. Van Vliet krijgt in de gaten dat hij zich terecht niet heeft laten verleiden tot journalistiek of advocatuur. Hij is cabaretier. Vijf jaar later opent hij het vestzaktheatertje Pepijn en heeft hij vaste grond onder de voeten.

Van Vliet heeft altijd gezegd dat hij op die dag, 18 december 1964, voor de tweede keer is geboren. ‘Er was in Den Haag geen vestzaktheater en dat moest er komen. Mijn ouders zagen in mij een briljant jurist, maar ik wilde cabaretier worden, met een eigen theatertje. Met geld van honderd Haagse heren en horecaleveranciers als Heineken kregen we de financiering rond. Mijn familie en de gemeente verklaarden ons voor gek, maar met mijn vrienden van het Leidsch Studenten Cabaret hebben we zeven jaar aan een stuk een uitverkochte zaal gehad en vervolgens zijn wij door de stad omarmd.’

Op de dag van de opening van Pepijn brandde het Gebouw voor Kunsten & Wetenschappen af, het grootste theater van Den Haag. De burgemeester sprak: ‘La grande reine est morte, vive le petit prince.’

Na die zeven jaar ging Van Vliet solo verder, maar Pepijn is gebleven. Bijna alle struikelende, beginnende cabaretiers hebben daar gestaan. Youp voor zes mensen, Herman Finkers voor dertien. Ze kregen de sleutel om ’s nachts door te werken en bleven er ook slapen. Om het theater in leven te houden stak Van Vliet er zelf veel geld in. Toen gemeentebezuinigingen in 1993 het theater de nek om dreigden te draaien kwam hij samen met Youp van ’t Hek in actie. De ‘reddingsvoorstelling’ is daarna een jaarlijks terugkerend feest geworden.

In de tuin van Pepijn viel hij zijn eerste gat in zijn hoofd. Van Vliet was zeer blessuregevoelig, zijn benen zaten vol littekens, maar hij heeft nooit een voorstelling afgezegd. Wel scheef gestaan van de rugpijn en gespeeld met een lachwekkend opgezette mond van een wortelpuntontsteking, maar gelukkig heeft hij nooit problemen gehad met zijn stem, want dat was voor hem de enige reden om af te zeggen.

Blijvend Applaus Prijs
In 2010 ontving Paul van Vliet de Blijvend Applaus Prijs voor zijn gehele oeuvre. De prijs is een waardering voor zijn uitgebreide en veelzijdige oeuvre, dat niet alleen een aantal onvergetelijke types en wonderschone liedjes heeft opgeleverd, maar hij is er als cabaretier in geslaagd om meerdere generaties publiek aan zich te binden.

Het Parool noemde hem Oranje Paultje en in het Kerstrapport van journalist Peter van Bueren kreeg hij in 1968 een vijf voor mentaliteit. Voor republikeins Nederland was het ongehoord: cabaretier Paul van Vliet treedt in 1966 op voor het toekomstige echtpaar Prinses Beatrix en Prins Claus.

Toch heeft het niemand kunnen verrassen. Cabaretgezelschappen als Lurelei en Sieto Hovings Tingel-Tangel deden geen moeite hun anti-Oranje gevoelens te verbergen. Maar dat was niet de aard van de cabaretgroepen die Van Vliet leidde: het Leidsch Studentencabaret (1958-1961) en Cabaret PePijn (1964-1971). Daar heersten mildheid en zachtmoedigheid.

Aan het eind van de roerige jaren zestig wil Van Vliets toenmalige echtgenote Liselore Gerritsen wèl meer scherpte en venijn in de programma’s van PePijn stoppen. Het gezelschap wordt opgeheven en de twee gaan artistiek, en later ook privé, hun eigen weg. Gerritsen kiest voor een carrière als dichteres-chansonnière met kleinschalige programma’s; Van Vliet wordt entertainer en zoekt het grote publiek op met zijn one-man-shows.

Eind jaren negentig komt Van Vliet met een ‘spijtbus’ op het podium. De bezoekers kunnen aangeven waar ze spijt van hebben. Ook Van Vliet zegt spijt te hebben. Spijt van het risicoloze van zijn programma’s. Later zegt hij over die voorstelling: ‘Die spijt heb ik nu niet meer. Het was toen onder de invloed van de tijd. Het klopt, met PePijn hebben we geen potten gebroken en geen revolutie gepredikt. Maar ik heb me als solist zeker niet risicoloos of vrijblijvend opgesteld. Ik heb altijd persoonlijk en subtiel maatschappelijk engagement getoond, ook al is het niet zo politiek duidelijk als Herman van Veen of Youp. Maar zo zit ik politiek in elkaar. Niet extreem: ik zweef eigenlijk altijd beschaafd tussen de PvdA en D66.’

‘Let’s go folks, this man is not funny.’
Vanaf 1971 maakt Paul van Vliet een kleine dozijn Nederlandse en vier Engelstalige one-man-shows (tussen 1973 en 1986), met altijd veel aandacht voor muziek, geluidstechniek en belichting. ‘Mijn Engelstalige loopbaan begon met een optreden op een Harttransplantatiecongres in Scheveningen. Met dat materiaal ging ik naar het buitenland, maar ik speelde ook voor toeristen in Amsterdam. Die tournees door Engeland en de VS heb ik altijd buiten de Nederlandse publiciteit gehouden, vanwege de Broadway-mislukking van Toon Hermans en Freek de Jonge. Als het misgaat staat het namelijk op de voorpagina. Daarom heeft men in Nederland niets gemerkt van een vreselijke avond in een singles club in New York, toen een man schreeuwde: ‘Let’s go folks, this man is not funny.’

Van Vliet heeft de Engelse shows als een hobby beschouwd. Al snel gaf de cabaretier de ambitie op om in het buitenland door te breken. ‘Je moet er gaan wonen om de taal en de mentaliteit goed te kennen. Amerikanen en Engelsen weten niets van Nederland en zijn ook niet open. Alles wat over Nederland gaat kun je dus schrappen. Alle komische types zijn mislukt, en die waren juist de steunpilaren van mijn show. Het geheim van een goed nummer is de herkenning. De boer die de stadsbewoners in de maling neemt en Majoor Kees, die inspeelt op de democratisering van het Nederlandse leger werken hier wel en niet in het buitenland. Ik moest het in mijn Engelse shows hebben van de algemeen menselijke ideeën en de universele liedjes zoals De Zee:

The sea spoke up that afternoon
And said: All will be over soon
So often I am wondering if people know, she said
About the years of weariness and suffering I have had
There are days that I’m choked with the waste of the land;
There are days that I feel that the end is at hand.
That’s what the sea said – and she wasn’t even trying
To hide from me that she was slowly dying.

Unicef
Eind 1992 moet Paul van Vliet zijn tournee plotseling afbreken omdat hij een niertumor heeft. Na een spoedoperatie is hij een half jaar later alweer in het theater. Joop van den Ende vraagt Paul van Vliet voor de hoofdrol van Professor Henry Higgins in een nieuwe opvoering van My Fair Lady. Wim Sonneveld bleef een generatie eerder in zijn rol toch net iets te veel cabaretier, Paul van Vliet ìs de gedistingeerde Higgins.

Ook al wordt de draad weer opgepikt, het is ook tijd voor bezinning. Het lijf heeft het altijd gedaan, ondanks de enorme druk van constant schrijven, spelen en zakelijke beslommeringen. Maar nu heeft de machine toch gehaperd, een belangrijk signaal. Niet geheel toevallig komt in die tijd Unicef, het kinderfonds van de Verenigde Naties in beeld. Alles komt dan samen: het besef van eigen kwetsbaarheid, de behoefte aan iets anders, een verdieping in het leven, het verlangen naar meer privéleven en meer variatie in het werk. Als Ambassadeur van Unicef heeft Van Vliet veel geld opgehaald door verhoogde entreebewijzen voor zijn shows en heeft hij vele reizen gemaakt. Vooral de reis naar Eritrea, na de oorlog met Ethiopië, was indrukwekkend. In het boek In optocht door de tijd zegt Van Vliet daarover: ‘Ik rook in dat verwoeste land het Bezuidenhout van na de bombardementen: granaten en bommen geven puin een hele speciale geur. Dat was een schok. Ik blijf voor altijd een oorlogskind.’

Beroep werd hobby
Ofschoon Paul van Vliet met plezier de Blijvend Applaus Prijs aanvaardde, wilde hij de prijs zeker niet zien als het einde van zijn loopbaan. ‘Soms voel ik mijn leeftijd, maar mijn beroep houdt me ook jong. Als je wilt blijven schrijven, moet je opletten wat er in je omgeving gebeurt en tussen de mensen blijven.

‘Veel van mijn vrienden zijn dood of hebben klachten. Ik wil die gedachten niet ontkennen, het hoort bij het leven. Vroeger gold voor mij dat de show altijd door moest gaan. Ik heb wel met 39.8 op het toneel gestaan, en tijdens een van de voorstellingen van My Fair Lady stond de dokter in de coulissen, klaar om in te grijpen met de injectiespuit om me verder te helpen. Nu relativeer ik veel meer. De flauwekul en de pretenties heb ik weggesneden. Het grote verschil met vroeger is dat het leven niet meer oeverloos is. De toekomst is afzienbaar geworden. Er is wel een zekere zorgelijkheid over me gekomen. Heb ik wel genoeg gespaard? Wat moet ik als ik alleen achter blijf? Ga ik wel waardig de oude dag in?’

Vroeger plande Van Vliet minstens twee seizoenen vooruit, maar dat heeft hij na 2004 niet meer gedaan. De agenda werd invulbaar. Maar hij ging nog steeds met gedrevenheid op pad, zoals met de voorstelling Liefdesbrieven met Anne-Will Blankers.

Van Vliet heeft zijn leven lang van zijn hobby zijn beroep gemaakt. Tussen 2012 en 2018 heeft hij van zijn beroep zijn hobby gemaakt door 25 keer per seizoen op zondagmiddag te spelen in de uitverkochte Koninklijke Schouwburg. Van zijn succestypetjes kon hij Jonkheer Charles van Tetterloo Junior nog heel goed gebruiken, want die vrolijke homoseksuele liberaal klopte inmiddels met de werkelijke leeftijd van Van Vliet.

Zijn allerlaatste moment op het podium was vorig jaar tijdens een benefietvoorstelling voor Oekraïne in Theater Diligentia.

Foto: Foto: Roy Beusker