Illusionist Hans Klok heeft gisteren in Utrecht de Fred Kaps Award ontvangen. Met de onderscheiding eert de de zogenoemde ‘Fred Kaps Ring 78’, de Nederlandse tak van de International Brotherhood of Magicians, bekende goochelaars die vernieuwend of baanbrekend werk hebben verricht. (meer…)
Een van de meest ontroerende televisiebeelden van deze eeuw is de opname van Joost Prinsen die – nauwelijks zijn emoties de baas – het gedicht ‘Ben Ali Libi’ van Willem Wilmink voordraagt, over de Joodse goochelaar Michel Velleman die optrad onder de artiestennaam Professor Ben Ali Libi. Hij werd in 1943 in Sobibor vermoord.
Titia Zoeter, curator van het Joods Museum, heeft goed begrepen dat naast alle geweldige objecten, foto’s en filmpjes van spectaculaire acts deze opname van Prinsen niet mocht ontbreken Abracadabra, een tentoonstelling over de geschiedenis van het goochelen en illusionisme, een fascinerend facet van de Joodse geschiedenis. In de tentoonstelling vloeien inhoud en vorm perfect samen.
In augustus 2021 was illusionist Hans Klok te gast in het VPRO-programma Zomergasten. Vanuit de kringen der kunsten met een grote K werd enigszins verontwaardigd gereageerd: nam de VPRO nu ook al goochelen en een showman met half geopend shirt en wapperende haren serieus? Na afloop klonken heel andere geluiden. Klok bleek een boeiende en smakelijke verteller en een geweldige gids door de bijzondere wereld van illusionisme en goochelen. Klok kreeg er die avond vele duizenden fans bij.

Kaartenster van Okito (Theo Bamberg), Collectie van Dr. Bruce J. Averbook, Verenigde Staten.
In zijn opslag- en repetitieloods in IJmuiden heeft Klok niet alleen de meest uiteenlopende apparaten en attributen uit zijn shows, maar ook een fraaie verzameling memorabilia uit zijn theatergenre. Zo heeft hij spullen van onder meer Okito, een tegenwoordig nauwelijks meer bekende Joodse illusionist-goochelaar, die in de eerste helft van de vorige eeuw tot de absolute wereldtop behoorde.
De meest bekende truc van Okito, een anagram van Tokio, was De Zwevende Kogel. Hij liet een ijzeren bal, ter grootte van een voetbal, van de ene kant van het podium naar de andere kant zweven. Om te bewijzen dat de bal niet vastzat aan een touw haalde hij een hoepel door de kogel. Klok klopte met zijn verzameling, die hij weer had gekregen van goochelaar-verzamelaar Paul van Barneveld, aan bij het Joods Museum, waar men er een waardevolle basis voor een tentoonstelling in zag. Veel spullen komen daarnaast uit het privémuseum van drie verdiepingen in de buurt van Cleveland van de Amerikaanse verzamelaar Bruce Averbook.
‘Ik heb ook niet het eeuwige leven, en anders blijven die spullen maar op zolder liggen en uiteindelijk eindigen ze in de kliko’, aldus Hans Klok. ‘Het Joods Museum is dan een uitstekende plek, want veel goochelaars en illusionisten waren Joods. Het was voor Joden al vanaf de middeleeuwen verboden om een groot aantal beroepen uit te oefenen, maar goochelen behoorde, net als leerbewerken, schoenmaken en acteren, tot de vrije beroepen. Grote artiesten in dit genre, zoals Houdini, David Copperfield, Okito en nog vele anderen zijn allemaal Joods.’
Zomergasten Live
Een dag voor de officiële opening leiden Titia Zoeter en Hans Klok de verzamelde pers door de tentoonstelling. Het enthousiasme en de vrolijkheid spat er bij het tweetal vanaf. Het is ‘Zomergasten Live’ met een overdonderende hoeveel materiaal om je aan te verlustigen.
‘Okito, of eigenlijk Theo Bamberg, was een internationaal befaamde Nederlandse goochelaar-illusionist’, vertelt Klok. ‘Hij had al zijn spullen dubbel, omdat hij met zijn gezelschap pendelde tussen Berlijn en het Scala Theater in Den Haag waar hij shows had. Twee dagen voor de Duitse inval is hij via Genua naar Brazilië gevlucht, om uiteindelijk in Chicago te eindigen. Hij is nooit meer terug in Europa gekomen. Op veilingen zijn de spullen van Houdini en Okito het meest gewild. Ik heb aanstekers met zijn initialen, de zegelring die hij van de koning van Siam heeft gekregen toen Okito voor hem optrad, de wijde Oosterse mantel, waar je als goochelaar heel wat in kon verbergen, zijn persoonlijke plakboek en de befaamde ijzeren bal van zijn zwevende kogel-truc.’

Ontsnappingskist van Harry Houdini (Ehrich Weiss), collectie van Dr. Bruce J. Averbook, Verenigde Staten
Houdini
De tentoonstelling gaat ruwweg over de periode 1850-1950. Goochelen was altijd iets kleins, op straat en op de kermis, maar vanaf het midden van de negentiende eeuw gaat goochelen het theater in, het wordt groots, spektakel, spanning en sensatie, met verdwijn- en ontsnappingstrucs. De Industriële Revolutie heeft ervoor gezorgd dat steeds meer mogelijk werd. Rond 1900 begint The Golden Age of Magic.
Houdini (1874-1926) was de grootste in zijn tijd, en eigenlijk wordt zijn naam nog steeds genoemd, ook al is hij precies 100 jaar geleden gestorven. Volgens Hans Klok heeft Houdini de marketing voor de entertainmentindustrie uitgevonden. Ook na zijn dood werd de pr-man van het bedrijf gewoon doorbetaald, en dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Voordat Houdini ergens optrad deed hij al acts op straat om het publiek in de stemming te laten komen. Op het drukke Rembrandtplein in Amsterdam liet hij zich in 1903 boeien en opsluiten in het nabijgelegen politiebureau. Vijf minuten later stond hij weer buiten.
In 2013 stond Hans Klok met een show ter ere van Houdini in Carré. ‘Ik heb toen als pr-stunt een Houdini-ontsnappingsact gedaan. Ik hing ondersteboven aan een touw in een dwangbuis boven de Amstel, met een berenklauw, een metalen grijper boven mijn hoofd. Als ik me niet op tijd zou bevrijden en in de Amstel zou vallen, zouden mijn benen worden afgezaagd. Nee, er stond niemand op de grond om zo’n ramp te voorkomen.’
Het filmpje van de Houdini-act van Klok boven de Amstel is in de tentoonstelling te zien, net zoals veel filmpjes, waarin hij uitleg geeft over wat er in de betreffende zaal te zien is. Houdini krijgt veel aandacht in het eerste deel van de tentoonstelling die verder is gewijd aan internationale Joodse grootheden als Will Goldston, die de nare gewoonte had om de geheimen achter de trucs van zijn collega’s te onthullen, Carl Hertz, die als eerste filmbeelden gebruikte in zijn acts, Imro Fox, die veel zelfspot-comedy in zijn act stopte en Horace Goldin, die weinig oog had voor het welzijn van de dieren in zijn shows. Voor hem waren het magische rekwisieten, net als kaarten of munten.
Dat deel is weer opgesplitst in Verdwijntheater, Zweeftheater, Horrortheater en Ontsnappingstheater. Pronkstukken in dat laatste theater zijn een doodskist en de dwangbuis van Houdini. Hij voerde de ontsnappingsact uit een dwangbuis meestal ondersteboven uit, hoog boven het publiek. Hij was op het idee van deze ontsnapping gekomen toen hij zag hoe een psychiatrische patiënt zich uit een dwangbuis probeerde los te wurmen.
De boeienkoning Houdini liet zich op de meest uiteenlopende plekken opsluiten. Om te ontsnappen moest hij niet alleen heel sterk en atletisch zijn, maar had hij ook stalen zenuwen en slim verstopte sleutels nodig. Het ging een keer mis toen een akelige toeschouwer een stukje lood in een sleutelgat had gestopt. Houdini moest met een zaag worden bevrijd en controleerde sindsdien elk slot voordat hij aan de act begon.
Klok benadrukt in zijn rondleiding dat zijn werk wel degelijk gevaarlijk is en een uitstekende lichamelijke conditie beroepsvoorwaarde nummer één is. In de tentoonstelling hangt een foto van een ambulance voor een theater, als extra hint van illusionist Horace Goldin dat het er binnen gevaarlijk aan toe gaat met zijn Sawing a Woman in Half-illusie.

Affiche van Carl Hertz (Louis Morgenstein) die ‘The Vanishing Lady’ opvoert. Collectie State Library Victoria, Australië.
De tentoonstelling is superkindvriendelijk. Ook de kleinsten kunnen zich vergapen aan de filmpjes en apparaten en in elke zaal is er ook iets waarmee kinderen zich een illusionist kunnen noemen. Zij kunnen in een kist verdwijnen (en weer tevoorschijn komen), ze kunnen iemand door midden zagen en allerlei voorwerpen en een persoon laten zweven. Tijdens de rondleiding werden deze interactieve illusies voorgedaan door het jonge goocheltalent Gianni Marsie, die zijn haar al vast in de stijl van zijn grote voorbeeld Hans Klok had laten modelleren.
Verder worden in dat deel van de tentoonstelling nog wat zijpaadjes bewandeld, zoals het oriëntalisme en vrouwen in de goochelkunst. Veel goochelaars uit Europa en de Verenigde Staten kozen namen en kostuums, waarmee ze het publiek al direct in de mysterieuze en magische sfeer van het Midden of Verre Oosten duwden. Een niet-Joodse artiestennaam bood in verband met het nimmer afwezige antisemitisme een praktisch voordeel.
Er wordt in de tentoonstelling wel gewezen op een aantal vrouwen, maar zij zijn in de goochelkunst zwaar ondervertegenwoordigd. Hans Klok heeft daar wel een mogelijke verklaring voor: ‘In Azië is de verhouding man-vrouw in de goochelwereld trouwens wel gelijker, maar in het Westen zijn vrouwen meestal de assistent van de mannelijke hoofdpersoon en ze zijn ook bijna altijd de sjaak. Ze worden onthoofd of doorgezaagd.’ Zijn eigen show noemt hij wel geëmancipeerd, ‘want ik ben degene die wordt onthoofd of door een zwaard valt’. Er is door Elinor van Dommelen onderzoek gedaan naar die ongelijkheid. ‘Zij concludeerde dat vrouwen wellicht iets tegen magie hebben, als gevolg van de heksenvervolging die tot ver in de achttiende eeuw heeft bestaan. Vrouwen werden om de meest idiote redenen van magie beschuldigd, met de dood als gevolg. En dan maak je er maar liever niet je beroep van.’

Goochelattribuut gemaakt door Okito (Theo Bamberg). Bruikleen: Hans Klok
Magie in Nederland
In het Nederlandse gedeelte van de tentoonstelling is veel ruimte gereserveerd voor de zes Bamberg-generaties goochelaars-illusionisten, een goocheldynastie van 200 jaar. Eliaz Bamberg is de goochelaar-stamvader, die in zijn houten been allerlei goochelspullen kon verstoppen, en daarmee ook leden van het koningshuis heeft vermaakt, terwijl Theo Bamberg, alias Okito, als de laatste telg geldt. Of misschien past die ‘titel’ nog beter bij zijn in 1974 overleden zoon David, die als Fu-Manchú vooral in Latijns Amerika furore maakte met spectaculaire shows. Ook was hij te zien als goochelaar-detective in verschillende films. Geweldig is het affiche van de speudo-Chinees Fu-Manchú met een rijtje balletmeisje en wandelende skeletten.
Theo Bamberg vluchtte net op tijd naar Latijns Amerika, die uitweg was Cornel Hauer niet gegund. Deze topgoochelaar uit Wenen bleef in Amsterdam voor de liefde hangen en was als Larette vooral bekend vanwege zijn snelle kaart- en sigarettentrucs. Hij breidde zijn bedrijf uit met een goochelwinkel, die in de tentoonstelling prachtig wordt weergegeven. Amateurs en professionals kochten bij hem attributen en pasklare acts, die hij zelf maakte. Hij gaf ook les. Onder zijn klanten waren in het eerste jaren van de oorlog ook Duitsers. Ondanks zijn Joodse achtergrond waande Hauer zich veilig. Zijn Joodse ouders waren overgegaan tot het katholicisme en hij was getrouwd met een vrouw uit een Brabants katholiek gezin. Dat bleek een misrekening. Op 14 mei 1943 stonden twee Duitsers op de stoep. Het verhaal gaat dat hij tegen de soldaten zei dat hij nog even zijn jas wilde pakken, en toen heeft hij zelfmoord gepleegd. De winkel, Studio Larette aan de Willemsparkweg in Amsterdam, is tot 1955 open gebleven.
Betoverende tentoonstelling
De tentoonstelling laat duidelijk het verschil zien tussen de vingervlugheid en de psychologische afleiding die belangrijk zijn bij de goochelkunst en het enorme misleidende vernuft bij het illusionisme. Vaak combineren de artiesten, zoals Hans Klok, die twee vaardigheden. Langs de hele route wordt de bezoeker vermaakt met filmpjes, affiches, attributen en buitengewoon heldere en bondige informatieteksten. Heel interessant is het bordje dat Okito ophing in de zalen waar hij optrad, waarop in twee talen staat dat artiesten en theatermedewerkers niet op of in de buurt van het podium mogen komen tijdens zijn optreden. Ook al worden in de tentoonstelling hier en daar wel wat zaken achter de schermen toegelicht, de magische aantrekkingskracht van de wereld van het goochelen en het illusionisme wordt na het bezoeken van deze magische tentoonstelling alleen maar groter.
Bij de tentoonstelling hoort een weelderig uitgevoerde tijdschrift-catalogus, met onder meer een interview met Hans Klok. Ook bevat het magazine een overzicht van de aanvullende activiteiten, zoals een goochelworkshop voor kinderen en goochelvoorstellingen in de Museumnacht.
‘Ben Ali Libi, de goochelaar’
En tsja, dan de uit Groningen afkomstige Michel Velleman, die als Ben Ali Libi bloemen en duiven liet verdwijnen en weer verschijnen. Een charmante grappenmaker, die ook al tot het koninklijk huis was doorgedrongen met zijn act. Op beeld zien we Joost Prinsen, die het bij de laatste drie coupletten en slotzin van het gedicht van Willem Wilmink heel begrijpelijk nauwelijks droog kan houden.
Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt,
kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
Er stond al een overvalwagen klaar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.In ’t concentratiekamp heeft hij misschien
zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,
Ben Ali Libi, de goochelaar.En altijd als ik een schreeuwer zie
met een alternatief voor de democratie,
denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel,
hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.
De tentoonstelling Abracadabra. Geheimen van Houdini tot Hans Klok is tot en met 29 maart te zien in het Joods Museum in Amsterdam. Tijdschrift-catalogus € 4,95











Heel leuk artikel! Hier een aanvulling, want credit where credit is due, zeker omdat “inhoud en vorm perfect samen[vloeien]”: de tentoonstellingsvormgeving is gedaan door het bedrijf Designwolf.