Prof. Dr. Henri Schoenmakers is op 27 augustus in het Belgische Sint-Lambrechts-Woluwe overleden. Vijftig jaar lang onderzocht en beschreef de hoogleraar de theorie en perceptie van theater, onder meer als hoogleraar Theaterwetenschap aan de Universiteit van Utrecht.
Henri Schoenmakers (Amsterdam, 1944) studeerde van 1966 tot 1971 Nederlands, Engels en Theaterwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna werd hij in Amsterdam onderzoeker bij het Instituut voor Theaterwetenschap. Hij richtte er onder meer in 1979 een Tijdschrift voor Theaterwetenschap op, waarvan hij jarenlang redacteur bleef.
In 1983 promoveerde hij in Antwerpen met het proefschrift Zeven manieren om de zevende hemel te bezoeken. Van receptie-onderzoek in het theater naar een voorstellingstheorie. Het leverde hem, in 1984, een aanstelling op als hoogleraar Theaterwetenschap aan de Universiteit van Utrecht, waar hij lange tijd aan het hoofd stond van het Instituut voor Theaterwetenschap (later het Instituut voor Theater-, Film- en Televisiewetenschap).
Na zijn aantreden hield hij in september 1986 een oratie met de titel Passies in pluche. De toeschouwer in de hoofdrol. In die tijd trad er in de theaterwetenschap een verschuiving op van de wetenschapper die zelf normatieve uitspraken doet over wat op de planken te zien is naar de wetenschapper die onderzoekt wat de toeschouwers en critici beleven en ervaren bij wat er te zien is.
Zijn studenten wilde Schoenmakers vooral ‘zelfstandig leren nadenken over de eigen esthetische en maatschappelijke voorkeuren’, zo zei hij in 2000 in een interview met Loek Zonneveld. ‘Wij leggen geen esthetisch paradigma op. Dat had ik in mijn eigen opleidingstijd wel gezien, toen werd je verteld wat je mooi diende te vinden, en dat was dus een ramp. Wij geven in de opleiding duidelijk aan welke mogelijkheden er zijn en welke veranderingstendenzen zich hebben voorgedaan en waarom. We proberen vanaf het begin van de studie zo duidelijk mogelijk te onderstrepen dat het theater zoals je dat al kent maar één van de mogelijke verschijningsvormen is, en niet de enige. Het denken over het theater dat er nog niet is wordt gestimuleerd, en daarbinnen de vraag: wat wil de student zelf?’
Tot 2005 bleef Schoenmakers aan de Utrechtse universiteit verbonden. In die periode werd hij een van de medeoprichters van het ‘International Committee for Reception and Audience Research’ (ICRAR, 1986) en de onderzoekswerkgroep ‘Theatrical Event’ (1995). Ook leidde hij onder meer het Erasmus Network Theatrical Arts and Media (1984-1994) en de International Federation for Theatre Research (1995 tot 1999).
Van 1994 tot 1995 was Schoenmakers gastdocent aan het Instituut voor Theater- en Mediawetenschappen van de Duitse Friedrich-Alexander-Universiteit in Erlangen-Nürnberg, waar hij in 2000 ook hoofd van de opleiding werd. Vanaf 2008 tot 2013 was hij in dienst van de Roosevelt Academy.
Invloedrijke publicaties van Schoenmakers zijn onder meer Performance theory (1986, Instituut voor Theaterwetenschap), Filosofie van de theaterwetenschappen (Leiden) en Theater und Medien; Grundlagen – Analysen – Perspektiven (2008). Hij schreef ook meerdere teksten over het Mickery theater, waaronder in zijn meest geciteerde werk Festivalising! uit 2007. In 2020 was hij nog een van de medeauteurs van Theatre Scandals, Social Dynamics of Turbulent Theatrical Events, een boek met casestudies van theatermomenten, die werden ervaren als schokkende momenten in de theatergeschiedenis.