Op 24 maart overleed Gerrit Korthals Altes. Als zakelijk leider van het Publiekstheater en Toneelgroep Amsterdam was hij decennia lang een gewaardeerde collega, leermeester en vriend. We vroegen enkele van zijn professionele dierbaren om een herinnering aan hem te schrijven en we nodigen iedereen die hem kende van harte uit om eigen verhalen over Gerrit toe te voegen.

Onaangekondigd
Hans Croiset

Theaterkrant vroeg me of ik wat over Gerrit wilde schrijven, het is immers bekend dat we erg lang hadden samengewerkt en dikke vrienden waren. Ik antwoordde dat zijn overlijden nog te vers was en het verwerken nog niet eens was begonnen, dus zou schrijven wel eens heel moeilijk zou kunnen worden. De hoofdredacteur suggereerde om over onze kennismaking te schrijven, en over de oprichting van het tijdschrift Teatraal. In mijn overmoed zegde ik  toe – ik dacht dat het informatief zou zijn en het lang genoeg geleden om met afstand over schrijven – om nu, nog geen twee weken na zijn dood, te beseffen dat ik het helemaal niet kan. Iedere herinnering, zelfs die van zo lang geleden, wordt bedekt door het sluipende besef dat hij er niet meer is. Sluipend, want ik geloof het nog niet. Ja als feit staat het wel vast, maar de gedachtes aan hem zijn zo levend dat ze niet stil te krijgen zijn, ieder zinnetje wordt nog door zijn commentaar weggelachen. “Wat maak je me nou? Ga je iets over me schrijven? Kom zeg, wil je dat wel eerst even aan me voorleggen, ik wil wel weten wat je over me te melden hebt. Wat als ik het er niet mee eens ben, te veel eer en zo, of dat jij een herinnering weer eens breed uitmeet terwijl ik dat heel anders heb beleefd. Bij jou verkleurt altijd alles door die fantasiefabriek van je, die alles wat je op je lopende band zet een suspect randje geeft. Laten we liever maar eerst even afspreken, op onze vaste plek – ja wacht even dat is nu wel weer even lastig met dat samenscholingsverbod. Een museum kan ook niet. Laten we een videogesprekje voorbereiden.”

Het scherm blijft leeg, het nieuwe document blijft leeg, iedere herinnering wordt ge-delete, wordt onmiddellijk vervangen door een andere, kris kras door de tijden heen, het ene beeld door een andere lokatie, en altijd die rustgevende stem die iedere landingsplaats aan elkaar rijgt Asterix in Cap Ferret, Harold Bloom op de draaistoel van zijn voorganger, voor het eten Saridon, zijn fiets in de rails van lijn twaalf, In Frankfurt handje schudden met Strehler, Orlando Figes, die moet je lezen, net uit, nee, heb je nu even geen tijd voor, komt wel, zou je dat nu wel doen,  Rosmersholm op zolder in Arnhem, mooi stuk voor Liesje. Weet een leuk hotel op ’t Lido, ga er maar even tussen uit,

Dat heb je wel letterlijk opgevat; met je brilletje in je hand en je boekjes om je heen op de bank in slaap gevallen. Je had verdomme gewoon wakker moeten worden en ons niet de stuipen op het lijf moeten jagen. Helemaal niet jouw stijl, zo onaangekondigd iedereen zoveel verdriet te bezorgen. (Geschreven 5 april 2020)

Wind mee
Janine Brogt

Gerrit leek altijd wind mee te hebben. Letterlijk: op de fiets, rode shawl, kaki regenjas, pijp tevreden in de mond. En figuurlijk, want eigenlijk was hij permanent goed gehumeurd, nieuwsgierig, een gretig en veelzijdig lezer, genietend van goed gezelschap, eten en een mooi glas wijn. En een oprechte theaterliefhebber die veel meer zag dan alleen de producties van zijn eigen gezelschappen.

In de zomer van 1987 hing de stad vol vlaggen en affiches om Toneelgroep Amsterdam te lanceren, het nieuwe, grootste gezelschap van het land. Gerrit bleef onverstoorbaar toen de eerste voorstelling zo mislukte, dat de première moest worden afgeblazen. Ook toen zijn artistieke leiding amper een half jaar later werd gehalveerd, heb ik hem nooit in paniek, of zelfs maar in verwarring gezien. En dat bleef zo, over pieken en door dalen, tot zijn pensioen in 2001.

Zijn financiële beleid kende veel facetten. Jarenlange massage van gemeente en sponsors legde het fundament voor wat nu de Rabozaal is. Een stervertaler die zijn vorstelijke honorarium contant uitgekeerd wilde hebben in een plastic tasje kon rekenen op Gerrits soepele medewerking. Toen ik hem ooit om salarisverhoging vroeg, legde hij mij charmant uit dat mijn bijdrage aan het gezelschap ‘onbetaalbaar’ was, dus kon hij daar geen prijskaartje aan hangen.

Zijn assistente Lia Merhottein was zijn onmisbare beschermengel. Want zelfs bij Gerrit liep het wel eens mis. Lia was dan bezorgd en kwam extra vroeg naar kantoor om hem op te vangen. Maar als Gerrit binnenstapte bleek haar zorg overbodig. Zij was misschien wat bleekjes na een half doorwaakte nacht, maar hij had prima geslapen en leek zich van geen probleem bewust.

Zo’n Rutte-achtige onverstoorbaarheid kon ook irritatie wekken. Maar het was vooral een gouden eigenschap in een omgeving waar het altijd lachen en huilen, paniek en feest tegelijk was. Na zijn pensionering investeerde hij zijn opgewekte energie in een studie kunstgeschiedenis. Die maakte lange verblijven in Venetië noodzakelijk, inclusief alle bijbehorende genoegens.

Ik dacht altijd dat Gerrit minstens honderd zou worden en van elke dag zou blijven genieten. Maar misschien is kalm in zijn slaap overlijden tijdens een pandemie, toch ook een laatste teken dat hij inderdaad iemand was die wind mee had.

Memoriepost
Berend Jan Langenberg

‘Als ik Petra Laseur meeneem naar de wethouder dan gaat alles drie keer sneller dan wanneer ik in mijn eentje ga.’ Dat was één van de fijne kneepjes van het zakelijk leiderschap, die Gerrit uitdroeg.

Ik leerde Gerrit kennen in de begeleidingscommissie van het onderzoek Toneel ter Zake (een onderzoek naar de exploitatie-uitkomsten van gesubsidieerde toneelvoorstellingen). Hij als ervaren zakelijk leider van Publiekstheater, ik als net afgestudeerd, jong ambtenaar van het ministerie van CRM, die dat onderzoek financierde. Enkele jaren later kwam ik hem weer tegen als voorzitter van de VNT, waar ik in 1976 als directeur in dienst mocht treden. In die jaren hadden wij wekelijks contact.

In de spaarzame interviews, die Gerrit gaf, noemde hij ieder keer de dienstbare houding van de zakelijk leider. Dat ging verder dan dienstbaarheid aan zijn eigen gezelschap, ook al stond dat voorop. In mijn rol als directeur van de VNT kwam ik erachter hoe belangrijk de zakelijk leider van het gezelschap ‘aan het Plein’ was voor het hele Nederlandse toneel in die tijd. Het Plein zette de toon. Later kwam ik er achter dat dat zelfs een veel langere geschiedenis had dan het zakelijk leiderschap van Gerrit. Vooral de kleinere gezelschappen in de zeventiger, tachtiger en negentiger jaren profiteerden daar enorm van. Hij stond ze niet alleen met raad bij (antwoorden op de vraag ‘hoe doen jullie dat?”), maar ook met daad: veel kon uiteindelijk om niet geleend worden. Gerrit was een belangrijke deelnemer aan het roemruchte arbeidsvoorwaardenoverleg tussen werkgevers en vakbond. Door zijn wijze betrokkenheid was dat vaak meer een uitleg hoe de cao’s en andere arbeidsvoorwaarden en gewoonten aan het Plein werden toegepast, dan een onderhandeling. Zo leerde hij de rest van het gesubsidieerde toneel wat hij (gesteund door zijn collega Hans Croiset en zijn medewerkers als Frits van den Haspel) redelijk en billijk vond. En stond hij op de bres bij het ministerie als daar niet genoeg geld voor was.

Uit die dienstbare houding kwamen twee stakingen-met-instemming-van-de-werkgevers voort. In 1978 ging het om het verbeteren van de werktijden voor technici: nieuwe regels zou de gezelschappen een kleine 500.000 gulden per jaar extra kosten, wat de subsidiënten aanvankelijk niet wilden betalen. Een staking van de technici zorgde voor veel publiciteit en daarna kwamen rijk en lagere overheden met het gevraagde extra geld over de brug en kon de verbeterde cao worden ondertekend. Mission completed.

De tweede staking was gericht tegen het ‘1 maart telefoontje’. Vóórdat subsidies in vierjarige plannen werden vastgelegd, kregen alle gezelschappen jaarlijks op 1 maart een telefoontje van het ministerie waarin de te verwachte subsidies voor het volgende seizoen werd bekendgemaakt. In 1980 maakten de subsidiënten in die telefoontjes bekend geen bijstelling voor inflatie (de zogenaamde loon- en prijscompensaties) te gaan verlenen. In feite dus een subsidieverlaging, die direct tot ontslagen zou leiden bij de groepen. Op 10 en 11 maart werd niet gespeeld en de gezelschappen togen in een aantal bussen naar het ministerie. Gerrit sprak daar namens het toneel en zei onder meer: `In 1920 werd er aan het toneel gestaakt, het ging toen ook om percenten, al waren de bedragen en bestemming toen anders. 1920 was ook het jaar waarin de toenmalige minister het toneel als memoriepost op de begroting plaatste. Wij zijn hier om te eisen dat het toneel niet opnieuw een memoriepost wordt.’

Ook deze staking was succesvol: twee weken later deelde het ministerie mee dat de gezelschappen voor het seizoen 1980/81 op ruim 1,7 miljoen gulden méér subsidie van rijk en lagere overheden konden rekenen, dan hun op 1 maart was meegedeeld. Gerrit was dus ook nog een succesvol stakingsleider!

Heeft u een herinnering aan Gerrit Korthals Altes? Deel hem hieronder