Vandaag start de Nederlandse culturele en creatieve sector haar eigen Cultuurberaad Klimaat. Een gelote groep van 75 cultuurmakers gaat zich buigen over de rol van kunst en cultuur in de klimaattransitie. Scenograaf Django Walon vraagt zich af of de organisatoren zich bewust zijn ‘hoe ver dit initiatief mogelijk inbreekt op de vrije kunsten’. ‘De kracht van kunst een specifiek nut toedichten en inzetten als oplosmiddel voor een grote wereldwijde uitdaging, miskent de plek van kunst in onze samenleving.’
Als scenograaf denk ik al maanden na over de schrijnende staat van mijn vak, zo ook die van dramaturgie, in Nederland. Ontwerpers dragen steeds meer verantwoordelijkheid, terwijl budget, tijd, materialen en assistentie achterblijven. Het proces lijdt en de ontwerpers moeten ad hoc keuzes maken ten koste van artistieke kwaliteit. Scenografie, met name voor de grote zaal, wordt zo al jaren wegbezuinigd.
Ik zie ook hoe duurzaamheidseisen inmiddels vaker het ontwerp sturen dan de inhoud zelf. De lijst met duurzaamheid-voorwaarden groeit, terwijl de kaders blijven krimpen. Het is inmiddels niet ongewoon dat culturele instellingen zichzelf permitteren om direct te interveniëren in de artistieke uitingen van ontwerpers. Dit terwijl de ontwerper diezelfde instelling moet overtuigen van het eigen kunnen om meer werk binnen te halen. Vanuit dit gevoel van ongemak stuitte ik op het Cultuurberaad Klimaat, een initiatief van Chris Julien en Maurice Seleky. Vandaag begint het.
Het idee is een ‘sectorbrede afspraak’: onder andere Mondriaan Fonds, AFK, Cultuurfonds, Filmfonds, Fonds 21 en Fonds Podiumkunsten hebben aangegeven mee te doen aan het beraad. Het doel is om deelnemers te verbinden aan één gezamenlijke klimaataanpak, ‘vóór en dóór de cultuursector’. Organisaties als VSCD, NVTC, VNPF, DutchCulture, Boekmanstichting en NAPK stelden het in en steunden het vooraf. Zo werken ze aan een door nagenoeg alle instituten en fondsen ondertekende ‘gemeenschappelijke strategie’, een convenant.
Het vierdelige burgerberaad nodigt experts uit die komen vertellen over de stand van zaken omtrent de klimaatcrisis. Om deze afspraak te staven, maken ze ruimte voor 75 mensen die werkzaam zijn in de sector. Iedereen kon zich inschrijven, van vrijwilliger tot directeur. In samenwerking met de Boekmanstichting en ‘om een zo divers mogelijke groep deelnemers’ samen te stellen, maakten ze een vragenlijst. Zo werden aanmelders geslecteerd op basis van categorieën als gender, leeftijd, woonplaats en kunstdiscipline. Ook werd je bij de inschrijving gevraagd aan te geven waarom je mee zou willen doen.
Allereerst, ja, ook ik denk dat kunst te maken krijgt met en een rol te spelen heeft in de discussie rond de klimaatcrisis. Ik neem aan dat de initiatiefnemers zich bewust zijn van de vele goede initiatieven en samenwerkingen die de sector al kent. Ook neem ik aan dat ze zich realiseren dat de kunstensector op geen enkele manier een afzetmarkt heeft die groot genoeg is om producenten van materiaal, brandstof of wat ook te verleiden een andere productieketen op te zetten. Dus wat willen ze nu eigenlijk?
De wereld kent een oneindig lange geschiedenis met verhandelingen over de rol van kunst in de samenleving. En ook sinds mijn studietijd is het een overkoepelend thema op Theaterfestival-panelgesprekken en staan vakbladen vol over het grillige bestaan van de kunstenaar. Ik wil daar niet te veel bij stilstaan. Voor nu hanteer ik vanuit deze ongoing discussion twee quotes: ‘De kunst kan de wereld niet redden als kunst. De wereld zal maar [pas] worden veranderd, laat staan gered, voor zover iedereen, ook de makers en “gebruikers” van kunst, hun burgerlijke plicht vervult. En die burgerlijke plicht heeft niets inhérents met kunst te maken.’ van Stéphane Symons (Rekto:Verso, feb 2024). Of in het kort: ‘Art does not change the world. Sorry.’ De ludieke opening van Metahaven’s The Hard Question of Art (sep 2026) voor de meer up-to-date-internet-cultuur-intellectuelen onder ons.
In een interview geven initiatiefnemers Julien en Seleky aan waar het ze echt om gaat. Ze stellen dat de kunst een ‘ongekende overtuigingskracht’ heeft. Met ‘een cruciale rol’ en ‘een ultiem vermogen om beweging te krijgen in vraagstukken’. Maar ook hebben ze het over ‘de maatschappelijke opdracht van de sector(kunst) richting de rest van de samenleving’. En dat ‘de samenleving in het geheel eigenlijk een cultuurverandering nodig heeft’. Dat ‘de klassieke kunsten een bepaald aspect kunnen aanspreken’ en ze het ‘vermogen van de sector om grootse gevoelens te verbeelden’ willen gebruiken voor die cultuurverandering.
Kort door de bocht, hebben ze het over een convenant dat al die culturele instellingen en fondsen verbindt in een reeks afspraken – een nieuwe code – die het voor hen mogelijk maakt kunstenaars dwingender te sturen in hoe ze zich artistiek uiten. En het geeft ze ook een potentieel stevig sturende rol in de boodschap van die artistieke uiting. Een convenant dat, als we niet opletten, ingrijpend kan gaan voorschrijven welke projecten subsidie krijgen en welke niet.
Met Julien en Seleky voorop, lijken de organisatoren van het convenant zich niet bewust hoe ver dit initiatief mogelijk inbreekt op de vrije kunsten. De ‘kracht van kunst’ op deze manier verkeerd interpreteren, een specifiek nut toedichten en vervolgens inzetten als oplosmiddel voor een grote wereldwijde uitdaging, miskent de plek van kunst in onze samenleving, en schaadt ons publieke kunstsysteem als geheel.
In het verleden is gebleken dat meer regels, codes en voorwaarden in de sector meestal gezorgd hebben voor meer overhead. En in het geval van dit beraad, de klimaatcrisis en het streven naar duurzaamheid is duidelijk dat het verregaande consequenties met zich mee zal brengen voor alle productiemiddelen. Een duurzame samenleving met duurzame kunst moet rekenen dat duurzame kunst duurder is. Als de samenleving een vergelijkbare output aan publieke kunst, van ‘kwaliteit’, wil behouden, zal dat meer geld kosten. Ik wil realistisch blijven en denk niet dat er in de nabije toekomst substantieel en structureel meer geld naar de kunst zal gaan. Dus vrees ik, vast niet als enige, dat de kosten van die verduurzaming gehaald moeten worden uit de overhead. De sector zal zich goedkoper moeten organiseren of de samenleving moet wederom genoegen nemen met minder (publieke) kunst.
Nog waarschijnlijker is dat de kunst en de kunstenaar door de versterkte duurzaamheidseisen nog verder bedreigd zullen worden, omdat de verantwoordelijkheid om te voldoen aan die duurzaamheidseisen op het artistieke bordje terecht komt. Bedenk dat bijvoorbeeld materialiteit voor een kunstenaar hetzelfde is als taal voor de journalist. Wie heeft straks het laatste woord over wat wel of niet duurzaam materiaal is? Wat als artistiek gezien juist dat niet duurzame materiaal een boodschap, een grote hypocrisie, ironie of tegenstelling in de maatschappij blootlegt? Wat als die boodschap de potentie heeft de wereld te redden? Wie bepaalt wat telt als een wereldreddende boodschap? En hoe zou je dat van tevoren kunnen weten? Het is allemaal ook een moreel gesprek.
Als de verstandige leiding van de ‘sector’ braaf het goede voorbeeld afdwingt, hoe zal de samenleving dat gaan opvatten? Gelijk hadden ze al: de wereld staat in de fik. Het tragische daarvan is dat de feiten al lang en breed op tafel liggen. Wat kan de kunst dan nog doen? Als we de wereld willen veranderen, zullen we ons politiek moeten organiseren en vanuit de eigen overtuiging onze medeburgers in beweging moeten krijgen. We kunnen er niet omheen: de klimaatcrisis is een politiek probleem. En te beslissen het redden van de wereld aan de kunst over te laten zal zich wreken, juist omdat het een politiek probleem is. Als de instellingen, fondsen en organisaties zich verenigen in dit convenant, kiezen ze politieke kleur. Die keuze werkt als rode lap voor de politiek conservatieven. En ontslaat terloops de politiek van haar verantwoordelijkheid om gepassioneerd keihard aan het werk te gaan; poten in de modder.
Dat brengt me op het volgende. Het gebeurt al, overal. Kunstenaars maken al decennialang kunst over maatschappelijke crises en dus ook de klimaatcrisis met de ondermijning van onze gedeelde leefomgeving, de Aarde. Die crisis brengt ongelofelijk veel leed met zich mee, niet te vergeten het toekomstige leed. Of je nu naar het theater gaat, een galerie, of happening. Een museum of graffiti op straat. Een concert, een opera of de IMAX bioscoop in 3D. Er is juist zo veel kunst over het verwerken van de ongelofelijk bedroevende taferelen die op het nieuws voorbij komen. Ook niet ongewoon zijn de letterlijke verbeeldingen van dystopische toekomsten. Archeologische en eschatologische kunst, als almanak van wie wij waren, hoe goed we het hadden en dat we het allemaal uit onze handen hebben laten glippen. Het gevoel van verlies omdat er een generatie en klasse aan de macht is die zich een wereld zonder hen niet kan voorstellen.
Terug naar het beraad. Ook is het niet duidelijk met welke redenen de leiding van de culturele instellingen en fondsen zijn uitgenodigd om deel te nemen aan dit beraad en dus wordt niet duidelijk op welke gronden ze meedoen. Op die manier is niet inzichtelijk hoe de instellingen de onderlinge verhoudingen, individuele onafhankelijkheid en pluriformiteit gaan bewaken. Dit allemaal terwijl de organisatie van het beraad stellig aankondigt dat er aan het einde van de rit een sectorbreed ondertekende afspraak ligt.
Voor zover ik het begrijp heeft een convenant, zoals die van het Cultuurberaad Klimaat, niet de stevige juridische basis van een contract met heldere afspraken, of de zegel van een wet en is dus in de meeste gevallen niet bindend. Dat maakt het mogelijk voor een culturele instelling om opportuun te handelen, en in wiens voordeel wordt er dan gehandeld? Als je als kunstenaar in onderhandeling bent over de voorwaarden en kaders van een project, kan een instelling bepalen wanneer het geoorloofd is zich aan het convenant te houden en wanneer niet. Dat betekent dat er blijkbaar iemand, niet de kunstenaar, boven het project staat en zich de optie voorbehoudt om inhoudelijk, bijvoorbeeld ten aanzien van materialiteit, in te grijpen en een keuze al dan niet mogelijk te maken. In theorie kan een spraakmakende kunstenaar zo blijkbaar toch een appèl doen op de leidinggevenden om de intentieafspraak van het convenant even naast zich neer te leggen.
Het convenant laat zich straks lezen als: ‘De kunst zal de wereld redden.’ Zo bouwt het aan een ‘moreel construct’ en formuleert het een impliciet politiek nut. Het belangrijkste niet ongunstige bijeffect van dit veronderstelde nut is dat het een groot deel van de overhead in de sector rechtvaardigt. Zo wordt het najagen van dit nut een doel op zich en al snel als noodzakelijk onderdeel gezien om het eigen bestaan veilig te stellen. De culturele instellingen wanen zich gevrijwaard te kunnen shoppen in de grote poel van gepassioneerde, werkzoekende kunstenaars en zullen hen blijven inzetten als inhoudelijke en financiële sluitpost van hun nuttige ‘moreel construct’. Het maakt van de kunstenaar en haar kunst, transactionele handelswaar in het systeem. Dit construct maakt ook dat de culturele instellingen zich kunnen verschuilen achter een gedeelde afspraak en duurzaamheidslabel; zij voeren enkel uit. Het versterkt het beeld dat de carrières van kunstenaars en leidinggevenden veelal alleen met elkaar verbonden zijn als dat gunstig is voor de laatste.
Culturele instellingen die bouwen aan dit soort morele constructen starten een onzichtbare politieke klok. Want het andere effect van de zelf opgelegde taak de wereld te gaan redden, is de voorspelbare uitkomst: het zal mislukken. De waarde van kunst voor onze samenleving zal verdampen voor onze ogen. Dat wil zeggen dat wanneer de burger moet inleveren op zijn bestaan omdat de klimaatcrisis toeslaat, de conclusie zal zijn dat de kunst gefaald heeft hun wereld te redden, en de kunst dus geen subsidie meer waard is. Vooral de instellingen en organisaties die zich verenigden onder de specifieke politieke kleur van het convenant zullen een nog veel makkelijker doelwit zijn.
Maar los van alle diep ondemocratische neigingen en onderliggende filosofische kul; als de initiatiefnemers van het convenant de kunsten zoveel krachten toedichten, waarom ze dan knevelen in de context van dit gigantische vraagstuk? Volgens mij zou de logische conclusie van hun redenering moeten zijn: Alle hens aan dek! Meer kunst! Meer subsidie!
Geld is de kortste weg om dat mogelijk te maken, maar is niet altijd de beste. Want het kan ook gaan over goed ondersteunende structuren. Vooral die structuren zullen zich in de nabije toekomst moeten gaan aanbieden om de kunstenaar in staat te stellen duurzame keuzes te maken en een bijbehorend idioom te ontwikkelen. Wat kunstenaars nu vaak missen in de ondersteuning is juist de belangrijke erkenning dat het de kunstenaars zijn die een eigen persoonlijke, en jawel, morele verhouding hebben tot het kunstwerk. Die relatie wordt verdiept en is opgebouwd uit persoonlijke ervaringen, herinneringen, teksten, beelden en andere referenties die samen een ‘constellatie van inspiratie’ maken. De ‘inspiratie’ duidt, illumineert, belicht, wijst naar de keuzes die een kunstenaar te maken heeft. Tijdens het maken zijn het de kaders, tegenslagen of toevalligheden waarmee het kunstwerk ‘terug praat’, en de kunstenaar voor nieuwe keuzes plaatst.
Die relatie is niet altijd even zichtbaar of groot, maar bijna altijd essentieel voor de kunstenaar. Want het begeleidt de kunstenaar naar de voor het publiek invoelbare keuzes en maakt dat het publiek inhoudelijk meekan. Het zijn de kunstenaars die alle keuzes maken om het werk te laten communiceren met het publiek, dat wordt ook van hen verwacht, dat is het vak ‘kunstenaar’. De kunstenaar vraagt om deze fundamentele reden, van alle betrokkenen, een wederkerigheid, vooral in de richting van het werk. Die wederkerigheid maakt dat de kunstenaars en hun werk zich artistiek kunnen ontwikkelen. Andersom betekent het dat wanneer de kunstenaar niet ontmoet wordt in die wederkerigheid – door een opgelegde code, afgedwongen keuzes, of ondermaatse ondersteuning en middelen – het ten koste gaat van de kunstenaars en de relatie die zij hebben met hun werk. Het splijt het emotionele verband tussen kunstenaar en kunst.
Ik denk dat het vooral belangrijk is om eerlijk naar de toekomst te kijken. Het is aan een ieder om zich af te vragen of er in de persoonlijke visie op de toekomst ruimte is voor publiek gefinancierde kunst. In mijn toekomstbeeld is er ruimte voor publieke kunst, en als het even kan in ieder geval niet minder. Maar de klimaatcrisis overstijgt de meeste andere belangen en de samenleving zal moeten zoeken, heel snel, naar een nieuwe balans. Ik denk niet dat kunst de wereld kan redden. Maar ik wil vooral de vraag delen: moet de kunst de wereld wel redden? Want ons verslikken in dit probleem zal gevolgen hebben die niet terug te draaien zijn, daar is simpelweg geen tijd voor. En dus is mijn volgende vraag: zijn wij burgers bereid de publieke kunst op te laten offeren voor een moreel schouwspel? Dan wel weg te laten bezuinigen omdat het te losjes omging met het eigen nutsvraagstuk. Allemaal zonder dat instellingen daar zelf individueel verantwoordelijkheid voor lijken te nemen. En zo niet; worden we dan wel juist gerepresenteerd?
Het Cultuurberaad Klimaat verdedigt en vergroot de al sterk aanwezig scheve machtsverhouding tussen instellingen en kunstenaar. De verhouding ondermijnt de werkrelatie en verdrukt zowel kunstenaars als kunst. De steeds terugkerende tendens om te kiezen voor top-down uniforme beleidsnormen, vaak aan de hand van morele kaders, zal de artistieke diversiteit van instellingen en de door hun gekozen kunstenaars doen verschralen. Doordat instellingen en fondsen steeds meer kleur bekennen, worden zij een makkelijker politiek doelwit en zal in de toekomst de positie van kunst in de samenleving verder verzwakken. Zo zaagt dit initiatief aan de wortels van de publieke vrije kunsten en de democratische ligging van hun instellingen in onze maatschappij.
P.S.
Tijdens het onderzoeken en schrijven kwam een gespleten gevoel naar boven. Ik hoop dat doordringt dat het systeem zoals het er ligt, met een eigen logica opereert. De ‘systeemlogica’ wordt in stand gehouden door een ambtelijke management taal. De artistieke logica is een hele andere, en komt dus ook vaak op een andere som uit. Ik hoop met het aankaarten van het Cultuurberaad Klimaat de schaal van het probleem, en die miskenning van de artistieke logica, te laten zien. Eerdere versies van deze tekst zijn geschreven vanuit mijn eigen passie als kunstenaar. Maar we moeten erkennen dat de doelgroep die dit probleem het meest ter harte zal moeten nemen, die taal niet vloeiend spreekt. Er komt een moment dat de profeten op hun ezeltjes minder gek zijn dan de stad die zich voor hen aandient. Beste mensen, bied ze een bord eten aan.
Django Walon is scenograaf en werkt onder andere samen met Studio Julian Hetzel, ROTOR en verschillende regisseurs bij instituten als Internationaal Theater Amsterdan, Nationale Opera en Ballet, NTGent en EYE museum. Hij doceert aan de opleidingen scenografie en regie op de Academie voor Theater en Dans in Amsterdam, en is gastdocent bij de Koninklijke Academie voor de Schone Kunsten Antwerpen. Foto boven: Barbara Raatgever – Apocalyps Straks van de Theatertroep
Dankjewel Django!