Samenwerking tussen gesubsidieerde en commerciële partijen biedt bij de ontwikkeling van nieuwe musicals voor beide grote voordelen. Daarvan gaf hoogleraar Musical Millie Taylor op het Nederlands Theater Festival vele internationale voorbeelden. (meer…)
In 2020 kreeg de Britse theaterwetenschapper Millie Taylor een aanstelling bij de Universiteit van Amsterdam (UvA) om de Van den Ende Chair of the Musical te bekleden. Nu, zes jaar later, gaat Taylor met pensioen. Dat was de aanleiding om op 14 september in het Universiteitstheater aan de Nieuwe Doelenstraat een afscheidsbijeenkomst te organiseren die druk bezocht werd door oud-studenten, musicalliefhebbers en kenners. Het thema was Dreaming Big, grote dromen over de toekomst van musical theatre in ons land.
Bruggen bouwen, dat was de leidende gedachte achter Taylors werkzaamheden als hoogleraar theaterwetenschappen aan de UVA. Ze zegt het een enkele keer nadrukkelijk: ‘Bridges, wat een prachtig woord.’ Het was Sanne Thierens, recensent en auteur van Mjoeziukul uit 2021 over het befaamde duo Annie M.G. Schmidt en Harry Banninck, die tijdens haar studie in Engeland Taylor uitnodigde om naar Nederland te komen; Taylor was destijds verbonden als hoogleraar Musical Theatre aan de universiteit van Winchester. Eenmaal in Amsterdam aangekomen kreeg ze van theaterwetenschapper Rob van der Zalm de Nederlandse versie van My Fair Lady (1988) als lp.
Taylor deed al snel enkele verrassende ontdekkingen, eenmaal werkzaam op haar leerstoel. Anders dan het New-Yorkse Broadway of West End in Londen bestaat er in Nederland een scheiding tussen het gesubsidieerde theater en het niet-gesubsideerde theater, waarbij het eerste voor vernieuwing (innovation) zorgt en het tweede commercieel is. Musical hoort bij de tweede groep. Innovatie en experiment in de musical zijn risicovol. Dat zou volgens Taylor moeten veranderen: ‘De infrastructuur van de musical zou zo moeten zijn, dat ook binnen het genre geëxperimenteerd kan worden.’ Ook is ze de overtuiging toegedaan dat de grote internationale musical-industrie tijdens tournees of nieuwe, buitenlandse versies van een musical ook moet kijken naar de plaatselijke gemeenschappen. Hiertoe heb je ‘goede vertalers nodig’.
Eén van de eerste bruggen die Taylor bouwde, was die tussen musical en het gesubsidieerde toneel. In 2023 hield ze in een rede voor het Nederlands Theater Festival (NTF) een vurig pleidooi voor samenwerking tussen het gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde circuit. Daar staat ze nog steeds achter. Ze gebruikt een treffende metafoor: de brug tussen beide circuits is niet de Erasmusbrug in Rotterdam met slechts één pyloon, het zou de Ponte Vecchio in Florence moeten zijn met die vele pijlers, winkeltjes, bars etc. waar al die disciplines samenkomen, ‘nu eens shop je hier, dan weer daar, als je maar stappen zet of kunt zetten’.
Ook intern geldt dat: de toekomst van de Nederlandse musical zou er gebaat bij zijn als er voor alle aspecten van de musical een intensieve opleiding en samenwerking zou zijn tussen schrijvers, regisseurs, componisten, choreografen, theaters, impresariaten, fondsen en alle uitvoerenden. Taylor refereert aan West Side Story als het grote Amerikaanse voorbeeld: ‘De inhoud van het verhaal spreekt ons aan, het gaat over de noodzaak van acceptatie en integratie; kenmerken die ook van toepassing zijn op creatieve processen en economische structuren. Het is een werk van bijna 75 jaar geleden dat bruggenbouw aanmoedigt.’ Taylor voegt eraan toe: ‘Musical is altijd politiek, hoewel veel mensen denken dat het slechts commercieel entertainment is. Musical is zeer goed in staat een politieke boodschap uit te dragen. Ook in de meer populaire cultuur die grote groepen van mensen bereikt, zien de toeschouwers zichzelf en hun levens terug in wat op het toneel gebeurt.’
In de ideale wereld van musical theatre moet er geen scheiding bestaan tussen de commerciële en gesubsidieerde sector of tussen musicals en toneelstukken. Dat vereist een veranderde structurele bedding van de musical, zoals Eline de Jong betoogt in haar onderzoek Musicaloptisme. Van momentum naar fundament dat ze in 2026 deed op verzoek van het Rotterdamse muzietheaterfestival O. Ze sprak 25 professionals en kwam onder meer tot de conclusie dat er geen goede infrastructuur is voor musical: een goede opleiding ontbreekt, er zijn te weinig of geen workshops, er moet geld en tijd besteed worden aan nieuwe Nederlands repertoire, musicals kunnen niet een tijd vóór de officiële première op tournee om met behulp van try-outs de kwaliteit te toetsen en verbeteren. Aanbevelingen die noodzakelijk zijn het huidige succes van de musical, het ‘musicaloptimisme’, in Nederland ook voor de toekomst te waarborgen. Het bezoekersaantal voor musicals in ons land lag in 2024 op 2,7 miljoen, dat is een hoog aantal en moet door de makers zelf, theaters, gezelschappen en subsidie-instellingen zeer serieus worden genomen. Dat gebeurt ook zeker, toch ontbreekt aldus De Jong een bestendig fundament.
Hoe gevarieerd en interessant de ontwikkeling van musical is werd nog verduidelijkt door de bijdrage van schrijver en componist Job Greuter die deels in Londen werkt. Daar ziet hij wel die zo gewenste structuur terug. Jeroen van Wijhe, recensent, dramaturg aan de Fontys Hogeschool en co-auteur van De Nederlandse Musical – Emancipatie van een fenomeen (2019), gaf een mooi overzicht van Nederlandse mega-musicals of glamoureus-musicals, te beginnen bij Cats (1987) in Koninklijk Theater Carré. De stand van zaken van vernieuwende musicals werd toegelicht door Anouk Beugels van het Rotterdamse productiehuis voor musicals Nanoek, opgericht in 2020, dat zich toelegt op ‘meerstemmigheid, talentontwikkeling en nieuwe perspectieven en verhalen die binnen het huidige musicallandschap nog te weinig zichtbaar zijn’. Vanzelfsprekend kwam ook de sleutelfiguur en grote inspirator van de Nederlandse musical Joop van den Ende aan bod, per slot de naamgever van de academische leerstoel.
Volgens Taylor was hij mede geïnspireerd door de Zweedse impresario Lars Schmidt (1917-2009) die Amerikaanse musicalsuccessen naar Europa haalde en bedenker is van onder meer het castalbum; hij was ervan overtuigd dat een internationale musical die elders wordt gebracht altijd voor tenminste de helft geworteld moet zijn in dat land. Van den Ende was de bedenker van onder meer de rode loper bij premières en zorgde voor scoops uit de musicalwereld in de landelijke pers. Hij kocht voor het symbolische bedrag van één gulden het Scheveningse Circustheater en maakte er een open end-theater van, een nieuw fenomeen in ons land. De laatste vraag kwam uit het publiek: krijgt de Joop van den Ende leerstoel voor musical na het vertrek van Millie Tyalor een vervolg? ‘Helaas niet,’ moest Taylor toegeven. Hoe graag ze ook had gewild dat een stem uit de jongste generatie de kans zou krijgen. Want ook dat is in de Nederlandse musicalwereld nodig, nieuwe jonge betrokkenen en makers.
Foto: Merel van Dooren












Een interessant stuk, maar dat er geen goede opleidingen voor musical zouden zijn is absolute onzin. Als je ziet dat het talent dat van die scholen komt met gemak in Duitsland, Oostenrijk, UK en andere plekken in de wereld aan de slag kunnen, is het onderwijs volgens mij echt wel op order.
Het grootste probleem ligt in die deling van sectoren en waar we ons geld heen sturen. Deze leerstoel is opgedoekt. MusicalMakers is naar 1 periode in de BIS opgedoekt. En bij het Nederlands Theaterfestival werd dit jaar voor het eerst een musical geprogrammeerd. Maar de musical die voor het eerst door een theatergezelschap en een vrije producent gemaakt is (Aletta – de musical) wordt buiten de programmering en prijzen gehouden. Overigens zijn al deze initiatieven ook niet benoemd in het artikel hierboven! Dus ook niet door de leerstoel benoemd en mogelijk niet gezien.
Zolang we super in hokjes blijven denken en als sector neer blijven kijken op bepaalde theatervormen, krijgt het nooit de juiste aandacht en ademruimte.
We moeten opera, net zo van belang vinden als muziektheater en als musical. Shakespeare net zo belangrijk als Sondheim, Heijermans net zo als Schmidt, Lin Manuel Miranda net zo als Alex Klaasen of Nathan Vecht. En het liefst me een stukje meer diversiteit in z’n geheel.
Beste Martijn Boer, dank voor je inhoudelijke aanvulling. Zoals je zult begrijpen is dit een zo objectief mogelijk verslag van de afscheidsbijeenkomst, niet een stuk over de stand van zaken van musical in het algemeen. De door jou genoemde initiatieven en namen werden niet benoemd bij deze bijeenkomst, dat klopt. Over de opleiding gesproken baseer ik me als bron op het rapport ‘Musicaloptimisme’ van Eline de Jong, hierbij een uitvoerig citaat uit het hoofdstuk met als kop ‘De vijver is te klein’: ‘Het meest genoemde, meest gedeelde knelpunt is het schrijnende tekort aan trajecten voor gespecialiseerde, niet-uitvoerende makers: schrijvers, componisten, liedtekstschrijvers, regisseurs, choreografen, muzikaal leiders, dramaturgen. Nederland heeft uitstekende opleidingen voor musicalperformers –
maar geen enkele opleiding waar je expliciet leert een musical te máken.’ Ook in het plenaire gedeelte zei een theaterdocent die tal van opleidingen had gebeld over het ontbreken van een musicalopleiding: ‘Ze wisten niet waarover ik het had.’ Musical Makers en M-Lab staan wél in het rapport van De Jong, maar kwam ternauwernood ter sprake. Daarentegen productiehuis Nanoek van Anouk Beugels wel degelijk, zoals vermeld. En terecht.
Dat ‘Aletta – de musical’ is gemaakt door een vrije producent (TEC Entertainment) én een theatergezelschap (Theater Oostpool), past mooi bij het ideaal van de ‘bridges’ die Millie Taylor wilde bouwen tijdens haar hoogleraarschap. Dat deze productie welbewust buiten de prijzen en buiten de programmering werd gehouden, is eerder een kanttekeningen aan het adres van de jury van het Nederlands Theater Festival (NTF), daar staat dit verslag buiten, dat vereist een opiniërend stuk.
Het werk van Taylor is tot slot juist gericht op het níet denken in hokjes, dat bewijst haar rede voor het NTF. Dus het ‘super denken in hokjes’ en ‘neerkijken op andere theatervormen’ is juist iets wat Taylor bestrijdt. Dat staat nadrukkelijk in het verslag.
Beste Kester,
Het commentaar van mij was niet perse/uitsluitend op jouw verslag gericht. Het is naar ‘ons’ als theatersector in z’n geheel gericht. De overheden, de leerstoelen, de makers, de acteurs, publiek en critici.
Kijk iets kan je smaak niet zijn, maar ergens op neerkijken, is gewoon het begin van het afbreken van een hele culturele sector. Iedere theatervorm verdient aandacht en de financiële mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Als we vandaag zeggen dat musical er niet toe doet, dan is dat morgen opera. Daar moeten we met z’n allen voor waken.
Beste Martijn, hartelijk dank voor deze aanvulling; ik kan alleen maar met jou ervoor duimen en ervoor waken (als recensent sinds 1981 voor NRC en Theaterkrant.nl, vanaf 2012) dat de sector als geheel nergens, op geen enkel genre, neerkijkt. Juist de diversiteit en veelzijdigheid zijn de sleutels tot een waardevolle theatercultuur.