Pfoe. Hi baubo, van Hannah De Meyer is geen makkelijke lectuur. Zonder de juiste aandacht – en zonder visuele input van de performance zelf – is deze korte, Engelstalige tekst een weerbarstige brok poëzie. Hij dient te worden bewerkt, herkauwd en opengespleten, tot na de zoveelste lezing eindelijk een zachte kern zich aandient. Die sudderende taalmaterie kan je vervolgens lezen als een utopie, respectievelijk dystopie, die de opheffing van het subject in het vooruitzicht stelt: de metamorfose van de mens tot bewustzijnloos wezen, enkel nog fysiek één met zijn omgeving.

Er is geen rolverdeling, regieaanwijzing of scenische structuur: de tekst ontrolt zich als een onder elkaar geplaatste keten van fragmentarische frasen, af en toe onderbroken door ///: een teken dat ik interpreteer als een scène-overgang. De hele lectuur lang is het onduidelijk wie spreekt en tegen wie, hoeveel ‘aanwezigheden’ er zijn. Bij het begin valt de naam Hannah, vervolgens Adina, en vervolgens ook twee keer baubo: een scabreuze figuur uit de Griekse mythologie. In hoeverre de tekst dient gezongen/gesproken/gescandeerd, blijft in het midden. Kortom: de regisseur die niet Hannah De Meyer is en met de tekst wil werken, staat voor een serieuze interpretatieve opgave – of grijpt gretig de vrijheid die de tekst hem biedt, dat kan ook.

Hi baubo, lijkt opgebouwd uit van elkaar losgetrokken beelden die allemaal samen een ‘tocht’ vormen, maar met tijd- en ruimtesprongen die eerder associatief zijn dan logisch. De setting heeft, net zoals in De Meyers vorige tekst new skin, een post-apocalyptisch aanzien. Het begint met een hoop modder, waaruit figuren naar boven kruipen – de evolutie all over again, maar dan op een onbestemde plaats, in een onbestemde of kosmische tijd – ‘yesterday, long ago’. Ooit was er op die plek een andere beschaving – ‘this is the city where we lived and everything is gone’ – maar nu wordt de plek bevolkt door ‘humans with shields’: wezens die zich in hun anatomie hebben aangepast aan de blijkbaar voortdurend rondvliegende stenen.

Verschillende oud-menselijke verworvenheden zijn in dit apocalyptische landschap nutteloos geworden: spiritualiteit, om er maar eentje te noemen. Leven op deze plek is een zuiver, ongereflecteerd biologisch overleven: ‘We don’t need to care for our soul/Our soul will always, inevitably care for us/All we have te do, is choose to live’. De taal is nog zo’n overbodigheid: het denken van de ik-figuur (of ik-figuren?) verkruimelt bij momenten tot een primitieve oercommunicatie waarin de muzikaliteit van de klanken primeert boven de betekenis:

Bi wamba bom
Croe croe oh
Wakka wu
Wid whom
Pri pri
shhht

Een derde verworvenheid die zo het raam uit kan, is het aloude verlangen naar onderscheid, vertegenwoordigd in onze persoonlijke voornaamwoorden: een ‘ik’ is maar ‘ik’ omdat er ook een ‘jij’ bestaat, een ‘zij’ en een ‘wij’– maar die distinctie is voor de spreker niet langer relevant. Menselijke verhoudingen zijn ‘fragile constructions’ die makkelijk uit elkaar spatten. Geen wonder eigenlijk, wanneer spiritualiteit en taal al verdwenen zijn. Wat blijft er dan nog over van het subject, kunnen we zonder het vermogen tot reflectie nog wel van een individu spreken?

Bij momenten krijgt de tekst van De Meyer een Mary Shelley-achtige toets, zoals wanneer de reizigers (laat ik ze maar zo noemen) op een relict stuiten uit de oude wereld: een verlaten laboratorium waar de prothesen werden gemaakt van menselijke ledematen, bestemd voor horrorfilms. Spelend met de onderdelen blijkt de Frankenstein-fantasie nog niet uitgedoofd; de ledematen komen tot leven, er groeien nieuwe mensen uit maar tot algehele hilariteit gehoorzaamt het deel niet aan het geheel:

One time, we had an arm and we massaged it for 7 hours
and something magical happened
the arm started to grow
a whole new body grew from this single arm
a body that lived
it talked
it walked
we had a great meal together
and then the body took off
no, the arm took off
the arm took off with the rest of the body
I mean, it’s
fine
the doors are open
the pieces, they come and go when they want

Bij deze passage begint het de lezer echt te dagen dat alle beelden die De Meyer oproept in taal ook ‘materieel’ zijn: plastisch, aanraakbaar als woordbeelden. De modder, het water, de hitte van de zon, de glibberige pasta, de protheses die als kaarsen branden, de lichamen die defragmenteren tot een hoop lillende organen… Het merkwaardige is dat de beelden in al hun gedetailleerde tactiliteit gruwelijk lezen, maar de toon die de verteller erbovenop legt is onbezorgd, vrolijk bijna. De lezer hoeft zich geen zorgen te maken, want de dingen zijn zoals ze zijn, ze lopen zoals ze lopen, en dat is goed.

Look
our organs lay there
and there
and there
with nothing to contain them
Hey
Hey you
no need to be afraid
look your lungs continue to breath
look your heart continues to beat

Wanneer het lichaam van de mens is uiteengevallen tot een lege ballon zonder organen, komen zijn innerlijke stemmen vrij. Die te lang opgesloten taal verbindt hem in hybride termen opnieuw met de planeet: ‘Mushroom words/Plant talk/Voices of rain’. Het is alsof het sprekende subject de taal afgeeft en begint te bewegen, te dansen op een innerlijke puls, op een aanzwellende bounce, een beat… startend bij de zacht kloppende puls van een individueel hart maar uitmondend in het overweldigende gedreun van het binnenste van de aarde. (Zo stel ik me dat toch voor op de bühne.) Het resultaat is een eenwording, want de opwaarts klauwende modderfiguren van het begin krijgen hun pendant in de smeltende lichamen aan het eind, die van koud opnieuw warm worden: zo heet dat ze muteren, vervormen, opgaan in het al.

Het zelfverlies van het individu, bestaand uit het verlies van zijn spiritualiteit, zijn subjectiviteit, zijn reflectievermogen…  het lijkt allemaal te behoren tot de natuurlijke en zelfs wenselijke gang van zaken. Vooruitgang is in deze evolutionaire fabel anatomische achteruitgang, een fysieke transformatie richting de schoot van moeder aarde – terug naar Baubo en haar ongeremde, subversieve vrouwelijkheid. Voor sommigen zal dat klinken als een feministische verschrikking, voor anderen als een te realiseren droombeeld. Feit is dat de ervaring, die nu geen woorden of naam meer heeft, gepaard gaat met een orgiastisch plezier:

A murmur
the prayer is a murmur
murmur without any human meaning
the sound of us touching
my identity touching the identity of things
My me touching
our us touching
falling
and touching
and touching
and touching

Our names are
Me hrahu
Hrahume
Me hra hra
Roe roe oh
Gik mift
P ts ah
p ts ah
p ts ah
P ts ah
p ts ah
Bor bor
Tsss tss

Numbness. Nothingness. Geen ego meer, geen drang om te heersen of te knechten, maar een zuivere fysieke ervaring van zijn-in-verbondenheid. Geen denkende mens meer zijn, wat in wezen betekent: geen mens meer zijn. Met hi baubo, heeft Hannah De Meyer zeker een anti-antropocentrische tekst geschreven, maar misschien ook een anti-humane. Gaat dat te ver? Ik weet het niet. Haar radicaliteit, in taal en denken, zet ons in ieder geval aan het werk.

De Nederlandse première van de opvoering van Hi baubo, door Hannah De Meyer staat vooralsnog gepland op 7 april in Frascati.