Een stokkend schrijverschap

DeClaus Theatertekstkritiek: 'Vasalis - Altijd Vandaag' van Janine Brogt

15 november 2018

De biografie van een schrijver tot toneelstuk verwerken vergt altijd enige durf. Kan jouw schrijven de concurrentie met dat van je onderwerp wel aan? Is een levensloop niet ook gewoon wat hij is? Hebben de feitelijkheden daarvan als zodanig wel grotere betekenis? Hoe leg je de verbanden tussen biografie, oeuvre en maatschappelijke ontwikkelingen zodat jouw tekst de geschiedenisles overschrijdt en in plaats van overzicht tot inzicht leidt.

De consequenties van dit soort vragen en kwesties zijn ongetwijfeld door het hoofd van Janine Brogt gegaan bij het schrijven van Vasalis – Altijd Vandaag, het stuk dat zij schreef voor Nettie Blanken en Bram van der Vlugt en dat momenteel met musicus Floris van der Vlugt als muziektheatervoorstelling langs de theaters reist. Maar, als ik eerlijk ben, toen ik de eerste drie regels van de tekst las, sloeg de schrik mij toch even om het hart:

HIJ:
Op 27 november 1957 schrijft de zeer succesvolle
dichter M. Vasalis een brief aan haar uitgever Geert
van Oorschot, die ook een goede vriend was…

Als deze droge vorm van expositie de toon zou zetten voor dit stuk over een van Nederlands meeste geliefde dichters, dan wachtte er een taaie leeservaring, zo vreesde ik. Gelukkig is Janine Brogt een door de wol geverfd dramaturg, vertaler en librettist en dan ook niet voor één gat te vangen. En dus weet haar tekst ondanks enkele kanttekeningen over de vorm toch de juiste snaar te raken.

Om met die kanttekeningen te beginnen, naast die onvermijdelijke en vermaledijde expositie, die ook later niet altijd even fijnzinnig aan een onderliggende handeling verbonden wordt, wreekt zich vooral een ingewikkelde personageconstructie. Het stuk kent op papier een HIJ, een ZIJ en een MUSICUS. De ZIJ en de HIJ laten zich bij aanvang kennen als respectievelijk de personificatie van Vasalis en een bewonderaar van haar en haar werk. Maar een klein aantal pagina’s na het begin lezen we de volgende uitwisseling:

ZIJ:
Wat bent u eigenlijk voor iemand?

HIJ:
Ik ben acteur. En u bent actrice. Hij is musicus en
componist. Vasalis is al twintig jaar dood, dus zij kan
ook helemaal niet over haar werk spreken. Maar u
wel. Als u haar speelt.

ZIJ:
Ik speel iemand die weigert te spreken, die weigert er
te zijn? Interessante rol voor een actrice. En twintig
jaar dood. Zo oud zie ik er toch niet uit. Terwijl ik aan
het eind van mijn leven toch werkelijk oud was. Heel
oud. Negenentachtig, geloof ik. Bent u dan ook dood?

HIJ:
Nog niet.

Vanuit theoretisch oogpunt snijdt Brogt hier een interessant vraagstuk aan over de relatie speler/personage/gerepresenteerde. Een vraagstuk dat inhoudelijk ook mooi aansluit bij het gegeven dat Margaretha Droogleever Fortuyn – Leenmans (1909-1998), zoals Vasalis eigenlijk heette, bij leven nogal gehinderd werd door de verschillende posities die ze in de wereld wilde en/of moest innemen: dichter, moeder, psychiater, wetenschapper, echtgenote. Maar toch, om een actrice binnen een en dezelfde claus vanuit verschillende ik-posities te laten spreken is nodeloos ingewikkeld.

Als de HIJ vervolgens ook nog haar echtgenoot en weer later in een volledige omkering der dingen Vasalis zelf representeert en ZIJ de positie van de HIJ overneemt, dan kraakt de hele constructie in haar voegen want wie is het die dan spreekt? Op het podium zijn dergelijke verwisselingen wellicht goed te organiseren, maar als lezer moest ik bijkans een wilsbesluit nemen om nog met de tekst mee te kunnen gaan.

Maar belangrijker dan dergelijke vormbezwaren is uiteindelijk de ziel die uit een tekst opstijgt. De verschillende ik-posities verwijzen immers ook naar het conflict dat Vasalis ervoer tussen de verschillende rollen die zij, ook door het tijdsgewricht waarin ze leefde, te spelen had. Zoals wanneer ze met haar man van haar geliefde Amsterdam naar Groningen verhuizen moet:

HIJ:
Het is toch normaal dat een vrouw haar man volgt als
hij zo’n prachtige kans krijgt.

ZIJ:
Ja, ja, ja dat is normaal. Ik vind natuurlijk dat ik niet
mag klagen.

En de HIJ/ZIJ-omkering is op de keper beschouwd wel een mooie vondst om ook op structureel niveau Vasalis’ werk als psychiater aan de orde te laten komen. In de psychoanalyse is het immers geen onbekend gegeven dat de relatie tussen cliënt en behandelaar mede door wederzijdse projecties bepaald wordt, soms zelfs zodanig dat het onderscheid tussen beiden diffuus, of zelfs gespiegeld wordt. Dat is dramatisch spannend en fictie maakt hier ook graag gebruik van, denk bijvoorbeeld aan de tv-serie The Soprano’s waar de uitwerking van de relatie tussen Tony Soprano en zijn psychiater Jennifer Melfi in wezen de ruggengraat van de vertelling vormt.

Inhoudelijk organiseert Brogt haar tekst vervolgens rondom het vraagstuk van het stokkende schrijverschap van Vasalis. Na drie bundels in ’40, ’47 en ’54 zou ze weliswaar blijven schrijven, maar bij leven geen nieuw werk meer publiceren. Aan de hand van twee brieven die Droogleever Fortuyn in 1957 en in 1975 onder haar werkelijke naam aan haar uitgever Van Oorschot schreef, en waarin ze hem tweemaal de dood van haar alter ego Vasalis heeft aangezegd, gaat Brogt op zoek naar het waarom van dat niet meer publiceren, naar het waarom van deze tweevoudige artistieke zelfmoord. En vaak doet ze dat juist via een ontroerend soort niet-vertellen:

HIJ:
En dan begint de oorlog. Plotseling is er geen sprake
meer van Amerika. Wel van geldnood. En van, god,
waarvan niet?

ZIJ:
Maar ik word wel zwanger.

HIJ:
De oorlog slaan we over.

ZIJ:
Jij kreeg een depressie. We verloren –

HIJ:
– Dat slaan we over. Vlak na de oorlog ga ik een jaar
naar Canada, onderzoek doen. Er is geen geld
beschikbaar om je mee te nemen.

Wat Brogt zo onder meer laat zien is dat een leven weliswaar de nodige ‘dramatische’ momenten kent, maar uiteindelijk geen drama ís. Het kent immers geen enkelvoudig motorisch moment dat al het andere in gang zet. Was het de carrière van haar man of haar drankzucht, was het ’t gestorven kind, de oorlog of waren het de kinderen die wel bleven leven? Alles is van belang maar niets wordt als die ene definitieve oorzaak aangewezen. Of misschien toch? Op een zeker moment schrijft Brogt:

ZIJ:
De oorlog heeft een gat geslagen in de heelheid van
de dingen. Ook in mij. Maar ik bleef naar de heelheid
verlangen.

In haar essaybundel Een verlangen naar ontroostbaarheid heeft Patricia de Martelaere over de esthetische aspecten van het fenomeen van zelfmoord onder schrijvers geschreven. Een soort zelfmoord die ze expliciet van een pathologische – depressie – of rationele vorm – euthanasie – wilde onderscheiden. De Martelaere beweert dat aan die esthetische vorm van zelfmoord een verlangen naar heelheid ten grondslag ligt, een ten diepste gevoelde wens om ‘af’ te zijn, of in schrijverstermen, de wens naar de afronding van het verhaal van het eigen leven.

Analoog aan die analyse van De Martelaere ontstaat bij Brogt, niet zonder humor trouwens en dus haast tussen neus en lippen door, een verband tussen de veelheid aan identiteiten van Margaretha Droogleever Fortuyn – Leenmans en haar door haarzelf herhaaldelijk omgebrachte schrijverschap, als wilde zij in elk geval één deel van haar leven compleet en afgerond laten zijn. De dichter en literatuurwetenschapper Ton Anbeek omschreef de gedichten van Vasalis ooit heel fraai met: ‘Een schijnbaar banaal gegeven leidt tot een flits van inzicht’. Met de tekst van Janine Brogt is het uiteindelijk precies zo.

Lees hier onze recensie van de opvoering van Vasalis door Van der Vlugt & Co.