Rob van Wegen, Marinus Vroom (Vis à Vis), Marion Cornelissen (ITA), Sarah Moeremans en Rick Spaan (Het Zuidelijk Toneel) en Raïssa Pater (Nicole Beutler Projects) zijn genomineerd voor de NAPK Duurzaamheid Award 2026. Dat heeft de Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten vandaag bekend gemaakt op NTF PRO, het professionalsprogramma van het Nederlands Theater Festival. (meer…)
‘Ik zal niet bestaan als ik niet word voorgesteld’, zegt Dolores Haze tegen het publiek in F*ck Lolita. Het is een gegeven waar alle drie de toneelschrijvers die dit jaar genomineerd zijn voor de Toneelschrijfprijs zich maar wat bewust van zijn: voorstellingsvermogen is een krachtig iets, en perspectieven en woorden hebben waarde. Ze kunnen het ene personage bestaansrecht (terug)geven, en het andere uit de geschiedenisboeken wissen. Annet Bremen, Giovanni Brand en Stijn Devillé gebruiken hun woorden in F*ck Lolita, No Man’s Land en Yellowcake, little boy als wapens tegen de vergetelheid. Morgen horen ze tijdens het Nederlands Theater Festival wie van hen de Toneelschrijfprijs wint.
Wie spreekt? Wie zwijgt? Wie zingt? Wie schreeuwt tegen dovemansoren? Wiens woorden hebben waarde en wiens stem wordt gesmoord? Wie mag complex, diffuus, gefragmenteerd en veelvormig zijn? En wie wordt gereduceerd tot een cijfer of een object? Het is opvallend hoe vaak het recht van spreken samenvalt met het recht om als volwaardig persoon te bestaan. Opvallend, maar niet onlogisch, want woorden en verhalen vermenselijken. Een kind dat bang is in het donker, een vader die elke avond zijn dochter voorleest, een zoon die te weinig water drinkt en een kleindochter die in het weekend langsgaat bij haar opa en oma: elk van die figuren heeft, net als ieder mens, een leven dat uit duizend kleine dingen bestaat. Een leven waar we ons in in kunnen leven.
En toch is het recht van spreken, het delen van woorden of verhalen, kleine banaliteiten of grote gedachten, een voorrecht dat niet iedereen is toebedeeld, weten de toneelschrijvers die dit jaar genomineerd zijn voor de Toneelschrijfprijs. En dus presenteren ze een verzameling personages die gehoord zouden moeten worden en geven die het spreekrecht terug.

F*ck Lolita gespeeld door Het Zuidelijk Toneel, foto Sofie Knijff
Het meest expliciet gebeurt dat in F*ck Lolita van Annet Bremen, waarin Dolores Haze – het personage uit het boek van Vladimir Nabokov dat door de jaren heen beter bekend kwam te staan als ‘Lolita’ – het recht om te spreken eigenhandig terugclaimt. Te lang is ze enkel gezien door een specifieke lens: die van de man die haar misbruikte en verkrachtte, Humbert Humbert. ‘Alles wat ik ben zijn zijn woorden’, zegt Dolores.
Ontmenselijkt is ze, geseksualiseerd en ontdaan van haar karaktereigenschappen, zodat miljoenen mensen over de hele wereld haar niet meer zien als jong kind, slachtoffer van misselijkmakend en verschrikkelijk (is er een andere soort?) seksueel geweld, maar als een ‘vroegrijp, verleidelijk meisje’. En het misbruik als ‘the first great love story of our century’.
Dolores: ‘Had ik al gezegd dat ik twaalf was?’
Bremen doorbreekt het giftige narratief, verbrandt de pagina’s, vervaagt de pixels en vecht tegen het beeld dat er in de populaire cultuur van ‘Lolita’ is ontstaan. Het is een overduidelijke aanklacht tegen de machtsdisbalans die ontstaat als een perspectief structureel uit een verhaal verdwijnt. Hier gaat het anders: nog voor het scenario goed en wel onderweg is, lezen we: ‘Dolores Haze spreekt, Humbert Humbert zwijgt.’ En zo gaat het, het hele verhaal lang.
Het mooie: Bremen toont Dolores in al haar complexiteit. Soms twijfelt ze, schaamt ze zich, of vraagt ze zich af waarom ze altijd zo nodig van hem moest winnen. Logisch, want in tegenstelling tot personages, die best in drie woorden – jong, mooi, naïef – te vangen zijn, zijn mensen áltijd meer dan dat, toont Bremen. Ze zijn diffuus, transparant, veelvormig, veelkleurig, ze kunnen de ene keer iets willen en de andere keer al walgen bij de gedachte alleen. Bremen keert het beeld van het platte personage – waar schijnbaar vrijuit misbruik van mag worden gemaakt – binnenstebuiten en presenteert een mens.
Dolores: ‘Ik ben geen bedenksel, motherfucker’.
Wat de tekst van Bremen nóg harder doet binnenkomen, is dat de schuld van de ontmenselijking van ‘Lolita’ niet alleen in de schoot van Humbert Humbert wordt geworpen. Keer op keer wordt het publiek geconfronteerd met haar eigen betrokkenheid. Negentig jaar oud is Lolita inmiddels. Negentig jaar waarin de maatschappij, lezers en toeschouwers, in stilte toekeken of zelfs smulden van het perspectief van de verkrachter. Negentig jaar waarin nooit gek werd opgekeken van een verhaal over de manipulatieve liefde van een oudere man voor zijn veel jongere stiefdochter. Met elke regel van Bremen eist Dolores Haze haar menselijkheid terug en het publiek, net als Humbert Humbert, is verplicht die transformatie te aanschouwen.
jullie zitten daar
stil
en jullie luisteren
jullie staan niet op
behalve bij het applaus
vrijwel meteen
je gaat ook niet wegkijken
je moet blijven kijken
en je gaat niet weg
je gaat pas weg als ik het zeg
Het woord ‘agency’ laat zich in het Nederlands niet helemaal lekker vertalen, maar laten we gaan voor een combinatie tussen ‘zeggenschap’ en ‘handelingsmacht’. Die beide dingen geeft Bremen Dolores.
Ik kan woorden zeggen en ik besta
stel je voor
ik
loop
weg
HA!

Yellowcake, little boy gespeeld door Het nieuwstedelijk, foto Boumediene Belbachir
Eenzelfde vermenselijking als in F*ck Lolita zien we in Yellowcake, little boy van Stijn Devillé. Een waarachtige tekst, vol achterkamergesprekken tussen wetenschappers, politici, generaals, mijnbazen en VN-rapporteurs. In de scènes springen we tussen 1933 en vandaag, en reizen we van Brussel naar New York en van Shinkolobwe in Congo naar Hiroshima en Washington, het pad van de eerste atoombom, Little Boy, achterna.
We lezen hoe discussies over de ruggen van slachtoffers worden uitgevochten, hoe wetenschappers twijfelen over ethische afwegingen, hoe machtsspellen worden gespeeld om het materiaal dat nodig is voor de bom, yellowcake, in eigen handen te houden en hoe België haar toenmalige kolonie Belgisch-Congo exploiteerde om een hand te hebben in de westerse wapenwedloop.
Oneindig interessant is het, dit geopolitieke wespennest, waarin enkel geld, macht en winst een rol lijken te spelen en burgerslachtoffers gereduceerd worden tot cijfers, maar het indrukwekkendst zijn de scènes in Hiroshima, op 6 augustus 1945. Meestal lezen we niets meer dan aantallen: een bom van 4000 kilo, 78.000 mensen op slag dood, nog eens ruim 150.000 mensen die stierven aan de gevolgen van stralingsziekte en kanker. Devillé confronteert ons met hoe het in Hiroshima on the ground moet zijn geweest. Hier komt een ‘Hibakusha’, een overlevende, aan het woord.
Fragmentarisch bijna, alsof taal, tijd en ruimte op het moment van impact geen richting meer kenden, worden we meegenomen. Eerst de lichtflits, dan de duisternis, de stilte en de gloeiend hete windstoot. ‘De lucht ontbrandt’, zegt de Hibakusha. ‘Het is — magnifiek eigenlijk. Van een onvatbare schoonheid.’ We lezen de verdaasdheid: ‘om mij doemen uit de rook naakte mensen op, op de tast, even verward als ik.’ En telkens worden de meest gruwelijke details – ‘Ik zie dat ik naakt ben. Alleen het elastiek van mijn broek als een nutteloos overschot rond mijn middel’ – tegenover de meest essentiële menselijke behoeften gezet: ‘Pas nu bedenk ik dat ik naar je toe wil, maar ik heb geen idee waar jij nu bent.’
Door het geopolitieke wespennest en het verslag van de overlevende naast elkaar te zetten – in één scène zelfs letterlijk, dan lopen de plekken, tijden en situaties door elkaar – laat Devillé zien hoe makkelijk het is om in achterkamertjes te ontmenselijken. Sommigen verzetten zich, of proberen dat, maar desalniettemin worden mensen in geschiedenisboeken maar al te gemakkelijk gezichtsloze, woordeloze en verhaalloze figuren, met alle gevolgen van dien.
Wie bij Devillé ook een verhaal – en daarmee een gezicht en een naam – krijgt, is een jonge Congolese mijnwerker anno nu. ‘Petit’ – little boy – heet hij, en hij werkt illegaal in een mijn die voor haar kobalt, koper, zink en erts wordt uitgebuit door de Chinezen. ‘Voor onze fucking iphones en onze fucking batterijen’, zegt David, de VN-rapporteur die undercover de mijn in gaat. Zijn belangrijkste conclusie: ‘Het systeem verandert niet.’ Of het nou over uranium of over kobalt, over 1942 of over 2025 gaat, de uitbuiting blijft hetzelfde.
mijn tipgever
hij heet petit
hij is twaalf jaar
en hij ziet eruit
als mijn broertje
in londen
Devillé slaagt in twee dingen: de uitbuiting en koloniale exploitatie die voorafging aan de bom – en er nog altijd op volgt – blootleggen én de slachtoffers aan het begin- en eindpunt van de bom op een schrijnende en onvergetelijke manier hun stem en gezicht teruggeven.

No Man’s Land gespeeld door No Mad Is Me / Werkplaats Walhalla, foto Bart Grietens
Wie zijn personages het meest letterlijk tot leven wekt, is Giovanni Brand. In zijn tekst, No Man’s Land, volgen we drie geesten van ongeboren kinderen: kinderen van Roma- en Sintimoeders die tegen hun wil in werden gesteriliseerd. Kinderen dus, die nooit hebben bestaan. En toch zijn Jektho, Dujto en Trinto in het verhaal van Brand levensecht, én krijgen ze de kans om hun moeders te bezoeken in de vorm van een dier.
Zo komt het dat we als lezer langs drie gezinnen in drie verschillende tijden reizen. Trinto had geboren moeten worden in het gezin van Lela en Djivan, een homoseksuele man en een lesbische vrouw die getrouwd zijn om aan vervolging te ontsnappen. Dujto hoort bij Mihaela, die na de meest ondenkbare etnische zuivering in Duitsland is beland – ‘de Duitsers zijn ons iets verschuldigd. Hier zijn we veilig’ – maar daar midden in de kluwen van een neo-nazistisch gezin terechtkomt. En Jektho’s moeder Drita wordt gedwongen haar ene zoon, Spiuni, de gevangenis in te sturen zodat haar andere zoon, Dorin, de kost kan blijven winnen, waarop ze allebei verdwijnen.
Alle drie de moeders zijn onderhevig aan hun lot. ‘Als ik niet als Roma op de wereld was gekomen, had ik een andere plek in de maatschappij gehad’, zegt Dujto. Een gegeven dat voor elk van de moeders – en dus ook elk van de kinderen – evenveel opgaat. Slachtoffers van een eeuwenoude etnische zuivering zijn ze. Trinto: ‘Al die niet geboren kinderen. […] Een omgekeerde genocide. Ze hebben ons volk van binnenuit willen uitroeien.’
Er zit iets prachtig poëtisch en tegelijkertijd tragisch in het gegeven van de drie dolende kinderen. De een gaat als beer de echte wereld in, de ander als nachtegaal, maar de laatste, Dujto, besluit als mens zijn moeder op te zoeken, wat Brand een kans geeft te filosoferen over wat dat betekent, het mens-zijn. Dujto heeft spijt van zijn keuze, ziet de verwoesting die de Roma en Sinti over de eeuwen heen is aangedaan, en vraagt zich af of hij niet dood mag, maar Trinto overtuigt hem ervan te blijven, niet in de minste plaats om het verhaal van zijn moeder aan te horen.
DUJTO
De geschiedenis gaat niet onder je huid zitten.
Die wordt je huid.
Zichtbaar voor iedereen.
Makkelijk te vernietigen.
TRINTO
Als je nu opgeeft zien mensen alleen haar gezicht.
Maar er zit ook huid onder haar haar.
In haar oksel.
Tussen haar billen.
Die plekken maken een mens een mens.
En zo richt ook Brand de aandacht op de kracht van een verhaal, een stem en een perspectief. Mihaela zegt: ‘Als ze me oppakken betekent dat ook dat ik mijn verhaal mag doen. Ze zijn verplicht mijn hele verhaal aan te horen. Soms kan je verhaal vertellen al aanvoelen als gerechtigheid. Gerechtigheid voor hoe ze mijn volk hier behandeld hebben. Ja, ze gaan me opsluiten. Maar de hele zaak zal niet onopgemerkt blijven.’
De drie toneelteksten zijn wake-up calls en aanklachten: tegen het gemak waarmee we mensen mystificeren, van kinderen ‘vroegrijpe vrouwen’ of goedkope krachten maken, of hele bevolkingsgroepen wegzetten. De schrijvers stellen daar het woord en de taal tegenover. Keer op keer worden we doordrongen van de waarde van het verhaal als een middel dat mensen uit de abstractie kan halen en hun menselijkheid terug kan geven.
En Bremen, Brand en Devillé filosoferen niet alleen over die waarde, ze gebruiken ‘m ook: van alle drie de verhalen en van alle personages spat een complexe, grootste, getergde en tegelijkertijd alledaagse menselijkheid af. Om af te sluiten met de woorden van Bremen:
neem het woord als wapen
trillend van leven
De winnaar van de Toneelschrijfprijs 2026 wordt op 11 september bekendgemaakt, tijdens het Nederlands Theater Festival in Amsterdam. De prijswinnaar ontvangt een geldbedrag van 10.000 euro. F*ck Lolita en No Man’s Land zijn uitgegeven door De Nieuwe Toneelbibliotheek.










