Met De Verschrikkelijke Wittgenstein schreef Roeland Hofman een stuk dat op een verontrustende manier het failliet van de beschaving laat zien én bekritiseert. Hij toont zich een toneelschrijver die door een verrassende bewerking van historische stof actuele vragen weet op te roepen.

SPOILERALERT!

De titel van het stuk roept associaties op met de grote filosoof Ludwig Wittgenstein, maar naar hem wordt slechts zijdelings verwezen. In dit geval gaat het om zijn broer Paul. Die is met minder bekendheid de geschiedenis in gegaan, maar heeft desondanks een belangwekkende rol gespeeld. Hij was een getalenteerd pianist en raakte gewond in de Eerste Wereldoorlog. Hij verloor zijn rechterarm, maar legde zich toe op het pianospelen met alleen de linkerhand. Zijn financiële vermogen — de Wittgensteins waren steenrijk — gebruikte hij om zowat alle grote componisten van zijn tijd muziek te laten schrijven die voor hem geschikt was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest hij vanwege zijn joodse komaf zijn thuisstad Wenen ontvluchten. Zo kwam hij in New York terecht, waar hij als pianoleraar aan het werk ging.

Hofman baseert hoofdpersoon en plot slechts losjes op de historische feiten. De Weense cultuur van voor de Eerste Wereldoorlog is op de achergrond voortdurend aanwezig, maar een werkelijkheidsgetrouwe weergave van mensen en gebeurtenissen wordt door de tekst nergens beoogd. Toch levert de botsing tussen onverenigbare waarden-en-normen-stelsels uit de reële geschiedenis het basisconflict in dit drama op. Paul Wittgenstein staat met zijn negentiende eeuwse Weense verleden diametraal tegenover de Amerikaanse levensvisie van de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Hij is ingehuurd om de New Yorkse elitekinderen Charlie en Matilda pianoles te geven. Dat vinden hun pa en ma goed voor de ‘culturele ontwikkeling’, maar de twee voelen enkel afkeer. Wittgenstein is volgens hen een sadist en een slechte leraar, want hij is niet in staat hen ook maar de beginselen van het pianospelen bij te brengen. Bovendien leeft hij in ‘een belachelijk verleden’. Voor hen is alles wat hun leraar vertegenwoordigt, nutteloos en overbodig. Het liefst zouden ze zijn linkerarm er ook afhakken.

De intrige die zich ontrolt is sensationeel. Om de kinderen letterlijk en figuurlijk bij de les te houden, verzinnen familiebutler Stiglitz en Wittgenstein een list. Ze maken hen wijs dat hun vader en moeder op reis verongelukt zijn. Het familiekapitaal zal nu toekomen aan één erfgenaam: namelijk diegene die zich een week lang het meest innemend en empathisch weet te gedragen. Kortstondig lijkt deze truc te werken, maar uiteindelijk verergert de toch al hevige concurrentiestrijd tussen broer en zus. Hun hebzucht is er alleen maar groter op geworden. 

Hofman geeft deze komedie groteske karaktertrekken. Die zorgen voor een vervorming en overdreven uitvergroting van de historische realiteit. De personages Matilda, Charlie en Stiglitz zijn karikaturen. Hun gedrag en taal zijn lachwekkend, en er klinkt stevig commentaar van de schrijver in door. Zo zijn de kinderen niet werkelijk geëmotioneerd door het nieuws van het overlijden van hun ouders. In hun wereld draait alles alleen maar om dollars. Überhaupt steekt in de dialogen hun grofgebektheid schril af bij de hoffelijke welbespraaktheid van Paul. Meer dan eens komt het tot kleinere of grotere uitbarstingen. Op één moment slaat de vertwijfeling bij hem toe en kunnen wij postmoderne 21ste eeuwers ons direct aangesproken voelen:

Ik snap de kinderen niet meer. (…) Waar is de medemenselijkheid en de spirituele interesse uit mijn jeugd gebleven? Hoe kan het dat competitie en geestelijke luiheid jullie meer lijkt te stimuleren? (…) Het enige waar u in geïnteresseerd lijkt te zijn is uw eigen spiegelbeeld (…)

Hoewel ook Wittgenstein uitvergroot en komisch is neergezet, wordt hij nooit echt een karikatuur. In de ogen van Charlie en Matilda mag hij dan wel belachelijk zijn, maar de sympathie blijft bij hem liggen. Hofman maakt van hem een tragische man met een bijna heilige missie. Jonge mensen in aanraking laten komen met muziek is zijn meest voorname doel in het leven. Want ‘in elk kind huist een potentiële diamant en het is mijn taak om die te vinden’. Verschrikkelijk is deze man dus allerminst. Hooguit is hij streng, ouderwets. Het lukt hem niet de generatiekloof te overbruggen. De plaats en tijd waar hij vandaan komt, zijn ver weg. In Manhattan heeft niemand een boodschap aan een Europa dat door de Eerste Wereldoorlog werd weggevaagd. 

De groteske stijl schept afstand en maakt het mogelijk om het via een omweg – de geschiedenis – over nu te hebben. Het waarden-en-normen-conflict mag dan wel wortelen in twee tijdperken die niet meer bestaan, maar het roept actuele vragen op. Wat is een goede opvoeding van kinderen? En vooral: hoe kan er zoiets als beschaving blijven bestaan als kunst en cultuur in die opvoeding niet overgedragen worden?

Het stuk eindigt weinig hoopvol. Hofman hanteert de techniek van de dramatische overdrijving om het slot een duistere en waarschuwende sfeer te geven. De plot ontspoort in no time. Stiglitz vermoordt Charlie en deelt de erfenis met Matilda. Wittgenstein vervloekt Matilda, maar dat maakt op haar geen indruk. Het kwade overwint, de toeschouwer blijft niet gelouterd achter, er is geen recht geschied.

Met De Verschrikkelijke Wittgenstein schreef Hofman een stuk dat het failliet van wat we beschaving noemen tegelijk toont en bekritiseert. Een waardig en volwaardig mens is gevormd door cultuur en kunst, die zingeven aan het menselijke bestaan. In die zin is Paul Wittgenstein zelf een metafoor. Want ontdaan van een arm, ging hij verder met een arm. Hij vond zijn kunst en daarmee zichzelf opnieuw uit. Nu wij nog.

Lees hier onze recensie van de opvoering van De Verschrikkelijke Wittgenstein  door Bellevue Lunchtheater.